13 maart 2010 Christian Jongeneel 55x gelezen
Toen Chili in 1960 door een zware aardbeving werd getroffen, bereikten golven van twee meter hoog Hawaï. Begrijpelijk dus dat het alarm afging bij de nieuwe beving: de modellen gaven golven van vergelijkbare hoogte aan. Het bleef echter bij de helft van die hoogte, hoewel het moment van aankomst wel accuraat voorspeld werd. In Nieuw-Zeeland was bijna niets merkbaar, zelfs minder dan in het twee keer zo ver weg gelegen Japan. Wetenschappers zullen zich over hun modellen moeten buigen, want als het systeem te vaak een vals alarm afgeeft, verliest het zijn geloofwaardigheid.
In een interview met de Washington Post gaf Jane Lubchenco, hoofd van de Amerikaanse National Oceanic and Atmospheric Administration (NOAA), aan, niet ontevreden te zijn over de prestaties van het systeem. Pas na de tsunami in de Indische Oceaan in 2004 is immers het aantal boeien dat golven meet in de Stille Oceaan fors uitgebreid. De combinatie van seismische metingen en die van boeien vormt de belangrijkste input voor modellen die de voortgang van een tsunami voorspellen. De Chileense aardbeving is de zwaarste beproeving die deze modellen tot nu toe gehad hebben met real-time data van de boeien.
Onderzoekers van NOAA vermoeden dat een aantal aannames in het systeem bijgesteld moeten worden. Eén daarvan is de interval tussen verschillende golven van de tsunami, een ander is de precieze interactie met zeestromingen, die van invloed is op de hoofdrichting waarin de tsunami zich voortbeweegt. Deze factoren nauwkeurig in de modellen brengen, vergroot echter de benodigde rekenkracht. De Chileense beving heeft meetgegevens opgeleverd van tientallen boeien en meer dan honderd kustplaatsen. Die informatie zal nauwkeuriger modellen, die overigens al in ontwikkeling zijn bij NOAA, moeten kalibreren.
Technisch Weekblad is een uitgave van Beta Publishers.
© 2012 www.technischweekblad.nl - alle rechten voorbehouden.