‘De moeilijke helft moet straks twee keer zo snel als de makkelijke’ | Technisch Weekblad
Achtergrond

‘De moeilijke helft moet straks twee keer zo snel als de makkelijke’

In 2030 heeft Nederland er 40 jaar over gedaan om de uitstoot van broeikasgassen te halveren, als het lukt het Klimaatakkoord geheel uit te voeren. Dat was vooral de makkelijke helft met het laaghangende fruit, waarschuwt Pieter Boot (PBL). Daarna moet Nederland in de helft van de tijd de echt moeilijke helft realiseren. ‘De regering is eigenlijk nog niet bezig met die gigantische opgave na 2030. We zijn eigenlijk nog niet eens met nadenken begonnen.’

Pieter Boot is Sectorhoofd Klimaat, Lucht en Energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Hij was een van de drijvende krachten achter het denken over het Klimaatakkoord waarmee Nederland in 2030 49% CO2-uitstoot wil reduceren ten opzichte van 1990. 

Later dit jaar gaat Boot na 34 jaar werk aan nationaal en internationaal energiebeleid met pensioen. In TW kijkt hij terug en vooruit. Met zijn kenmerkende dictie en aanstekelijke gevoel voor humor benoemt hij onderschatte uitdagingen, maar spreekt hij ook genuanceerd over het beleid tot 2030.

Wat zijn belangrijke misverstanden rond de energietransitie?

‘Ik zie er zo twee. Ten eerste: te veel mensen halen elektriciteit en energieverbruik door elkaar, terwijl elektriciteit in Nederland slechts een vijfde van het energieverbruik vertegenwoordigt. Dat gebeurt echt aan de lopende band.’

Welke gevolgen heeft dat?

‘Mensen denken bijvoorbeeld, dat door kerncentrales te bouwen het energieprobleem opgelost wordt. Maar elektriciteit zal altijd slechts een deel van de taart blijven. Laat het nou eens heel erg oplopen van 20% nu naar 40 of misschien wel 50% in 2050, dan heb je altijd nog de andere helft.’

En waar moet die dan vandaan komen?

‘Dat weten we niet precies. Die komt nu van olie en gas voor warmte en mobiliteit. Personenvervoer valt natuurlijk wel te elektrificeren, maar eigenlijk weet nog niemand hoe je hoge temperatuur-warmte in de industrie realiseert zonder fossiele energie. Fossiele grondstoffen zijn ook echt nog een uitdaging. Dat zullen we allemaal moeten gaan uitzoeken, maar elektriciteit komt heus niet verder dan de helft.’

Ook niet als je waterstof als tussenstap neemt?

‘Ja, dat is op papier mogelijk, maar daar kom je alleen als elektriciteit, die je nodig hebt om waterstof te produceren, bijna niks kost, zoals in de jaren ’50 van kernenergie soms verwacht werd. Je hebt erg veel energieverlies. Dat is niet heel erg als het praktisch gratis is en de elektriciteitsopwekking ook geen ruimtelijk probleem vormt. Maar het land staat nu al in rep en roer om een paar windmolens. Kan je nagaan hoe ingewikkeld het wordt.’

Zijn die kerncentrales daar dan juist geen mooie oplossing voor?

‘Nou ja, ik noemde twee randvoorwaarden. De prijs en de ruimte. In de praktijk hebben we ofwel een kostenprobleem met kernenergie, ofwel een ruimteprobleem met hernieuwbare energie. Allebei tegelijk oplossen is niet eenvoudig. Dit alles nog altijd ter illustratie van het belang van het onderscheid tussen elektriciteit en energie.’

U ging ook nog een tweede misverstand benoemen, toch?

‘Ja, Nederland loopt in niks voorop, maar is ook niet meer de traagste. Dat zien mensen ook vaak verkeerd. We zijn een late middenmoter. Alle oplossingen voor elektrificatie gaan andere landen voor ons voordoen. Landen als Zweden en Denemarken lopen in verschillende opzichten 10 jaar op ons voor. Denemarken had in 2016 al 40% wind en zon in de stroommix.

Daar kunnen we in elk geval op twee punten van leren. Ten eerste: de gebouwde omgeving. Daar lopen we nu toch een beetje te rommelen en dan vragen we van de gemeenten dat ze een list moeten verzinnen, maar die weten het vaak ook niet. Zweden en Denemarken hebben een bijna koolstofneutrale gebouwde omgeving via warmtenetten, warmtepompen en biogas. Toevallig hadden ze die warmtenetten al heel lang. Dat was mazzel. Wij hebben ze nog niet dus wij moeten ze gaan aanleggen in steden. Die netten werden daar aanvankelijk op olie en kolen gestookt en dat gaat nu grotendeels op biomassa. Ten tweede ligt het aandeel warmtepompen daar al veel hoger. Dat is interessant. Wij zijn het land van de hr-ketel. Die hebben wij uitgevonden. Maar toen 30 jaar geleden die ketel kwam, was dat in het begin een ramp. Ze waren duur. “Die dingen ontploffen”, werd overal gezegd. Niemand wilde ze hebben in het begin. Gasunie heeft daarop het prototype hr-ketel ontworpen. Toen ze op grote schaal geproduceerd werden, ging de prijs ook omlaag. Het Verenigd Koninkrijk probeert nu hetzelfde met de warmtepomp. Ze willen er oplopend tot 600.000 per jaar in 2028 gaan installeren. Nou, reken maar: als dat centraal beleid wordt, worden die dingen ook goedkoper. We moeten op zoek naar een nieuwe samenhang tussen aanpak van gemeentes en schaalvergroting’

Arthur van Schayk, directeur van Remeha, gelooft daar niet in. Warmtepompen zijn in feite airconditioningsystemen. Die maken we allang op grote schaal. Daar is weinig ruimte voor kostenreductie, zei hij.

‘Nou, als hij gelijk heeft, dan blijven ze toch zeg €1000 duurder. Op een levensduur van 15 jaar lijkt me dat ook niet de grote belemmerende factor van de energietransitie. Met de hybride warmtepomp is bovendien helemaal nog niet zoveel ervaring. Daar is nog veel in te winnen. En tenslotte kunnen we biogas gebruiken voor de gebouwde omgeving. Biomassa is omstreden, vanwege onder meer biodiversiteit, maar in Denemarken en Zweden zeggen ze: “Al kan je er van alles van zeggen, dat doen we gewoon.” Denemarken en Zweden laten zien dat grootschalige inzet van biomassa mogelijk is.’

Is er genoeg biomassa om alle landen biogas en warmtenetten op biomassa te laten gebruiken?

‘In Denemarken en Zweden is het in gelijke delen warmtenet, warmtepompen en biogas. Nederland is een dicht bevolkt land. Misschien kan daardoor bij ons het aandeel warmtenetten en warmtepompen groter worden. In Engeland willen ze wel 80% van de gebouwen met warmtepompen gaan verwarmen, want daar geloven ze niet in warmtenetten. Dan heb je wel veel netverzwaring nodig, maar aan de andere kant heeft Frankrijk ook allang veel zwaardere netaansluitingen in huizen. Biomassa zal schaars blijven, maar een driedeling, zoals in Scandinavië lijkt me een goed startpunt.’

En we kunnen nog een tweede les leren van de Denen en Zweden?

‘Ja, Zweden had al veel waterkracht en kernenergie, maar Denemarken doet het op zon en wind met veel interconnecties en gaat nu waterstof echt proberen. Het land ontwerpt nu twee energie-eilanden  waar windparken op zee omheen komen. Op de eilanden wordt dan waterstof gemaakt. Op het bestaande eiland Bornholm kijken ze hoe je een eiland op verschillende nationale netten kunt aansluiten. Dat is de toekomst. Het elektriciteitsnet wordt Europees. Die kant gaat het op. Denemarken gaat misschien wel naar 80% wind op zee en experimenteert nu met waterstof en interconnecties. Wij moeten dat na 2030 ook gaan oplossen. Daarom moeten we goed op Denemarken letten.’

‘Ik zie trouwens nog wel een derde misverstand: de te geringe aandacht voor de periode na 2030. Alle aandacht van het beleid is nu heel erg op 2030 gericht. Dan hebben we, als alles goed gaat, 49% van de broeikasgasemissies ten opzichte van 1990 gereduceerd. Maar dan moet alles dus goed gaan, hè. Op die manier hebben we 40 jaar over de eerste helft gedaan. En dat is de relatief makkelijke helft. Daarna hebben we dan nog maar 20 jaar voor de moeilijke helft. De moeilijke helft moet dus twee keer zo snel als de makkelijke helft! In de makkelijke eerste helft zat de bijvoorbeeld de overgang van de cv-ketel naar de hr-ketel. De regering is eigenlijk nog niet bezig met die gigantische opgave na 2030. We zijn eigenlijk nog niet eens met nadenken begonnen. Als we het Klimaatakkoord realiseren zitten we pas op de helft.’

Hoe kunnen vraag, infra en opwek beter op elkaar worden afgestemd?

‘Dit is echt heel moeilijk. Bij de elektriciteit weten we het wel ongeveer. De industrieclusters gaan hun elektriciteitsvraag formuleren en via de Taskforce Infrastructuur Klimaatakkoord Industrie (TIKI) wordt dan bekeken hoe de infrastructuur daar op moet reageren om het kip-ei-probleem te voorkomen. Dan hebben we een samenhangende aanpak van vraag en aanbod via het net. Doordat wind op zee via geordende tenders gaat, komen we richting 2030 een heel eind. In 2030 is Nederland volgens de verwachting (KEV 2020) netto exporteur van elektriciteit. Dus we hebben nog wel wat ruimte om de vraag iets harder te laten stijgen.’

Maar we zouden toch juist heel graag willen dat die elektrificatie wél veel sneller gaat?

‘Ja, maar het gaat niet zomaar gebeuren, want de CO2-prijs stijgt maar heel geleidelijk. Dat kan ook niet anders, want het knelpunt is de infrastructuur. Ze weten allang dat ze bij Terneuzen een 380kV-kabel nodig hebben, maar wanneer is die er? Stel dat volgend jaar wordt besloten dat die kabel er komt, dan duurt het daarna nog eens 8 tot 10 jaar voor hij er ook echt is. Het kwartje bij de industrie is echt wel gevallen, dat het sneller moet, maar dat komt geleidelijk op gang. Binnen een jaar zouden we kunnen beslissen om Porthos (afvang en opslag van koolstof, CCS in de Rotterdamse haven) te gaan doen. Dan doen we iets wat elders in de wereld niet gebeurt. Daarmee zou Nederland voor het eerst in 20 jaar weer eens ergens echt mee voorop kunnen lopen. Als Porthos lukt, wordt Athos (ook gebruik van koolstof, CCUS) in de Amsterdamse haven ook makkelijker. Als je de eerste 3 Mton CO2 opgeslagen hebt met CCS, wordt de volgende 3 Mton weer gemakkelijker. Het tempo bij de industrie zal best iets omhoog kunnen, maar dat gaat stap voor stap.’

En als we nou toch gewoon van bovenaf zouden zeggen: “Die energie-infrastructuur komt er gewoon en die opwek ook”?

‘Er is in Nederland geen zonnekoning die zegt: “Die infrastructuur komt er gewoon.” Ons land kent gelukkig wetten en mensenrechten. En er zijn altijd mensen die zich verzetten. Met een beetje geluk kan het sneller als alle besluitvormers dezelfde kant op denken, maar ze zullen zich aan de wet moeten houden.’

Het gevolg is dus dat we in 2030 helemaal niet zoveel meer dan de nu voorziene omvang van 11,5 GW wind op zee zullen hebben?

‘Dat denk ik niet, nee. Als iedereen keihard gaat werken, wordt het misschien 13 of 14 GW. De industrie is trouwens qua denken al wat verder. De gebouwde omgeving wordt nog moeilijker. Die zit eigenlijk nog in een voorgaande besluitvormingsfase. Die industrieclusters weten inmiddels wel ongeveer hoe ze het gaan aanpakken. Bij de gebouwde omgeving weten we dat helemaal nog niet. Ja, de gemeenten moeten eind dit jaar een plan, de zogeheten Transitievisie Warmte, hebben. Laten we daar dan maar het beste van hopen.’

‘We weten in ieder geval zeker dat het duur wordt. Er wordt vaak gedacht aan € 40.000 per huis. Dat kun je relativeren met de huidige hoge huizenprijzen, maar zo ziet niemand dat. De investeringen zouden scherp omhoog moeten en het is nog totaal onduidelijk of er bijvoorbeeld wel genoeg vakmensen voor zijn. Er zijn heel veel knelpunten. Daarom moet je dingen verzinnen om het goedkoper te maken. Laten we de drie opties even langslopen: warmtenetten, warmtepompen en biogas. In de sommen van het PBL zijn warmtenetten vaak maatschappelijk de goedkoopste oplossing. Ik ben op dit punt wel een beetje bang dat Nederlanders misschien te individualistisch zijn voor zo’n collectieve oplossing. Als je nu een waterschap zou moeten uitvinden – waarin we afspreken samen de dijken te bewaken –, zou dat misschien niet meer lukken. Maar we hebben het wel nodig. De warmtepompen moeten dus goedkoper worden. En dan die biomassa: die gaat niet veel goedkoper worden. Maar biovergassing hebben we nog niet zo veel, dus optimisten hopen dat dat goedkoper kan. Als je optimistisch bent over biovergassing, komt dat in veel wijken in het landelijk gebied erg goed uit. Daarvoor moeten we wel accepteren dat we veel biogrondstoffen gaan importeren, want reststromen gaan natuurlijk niet een derde van het energieverbruik in de gebouwde omgeving leveren. Die biomassa moeten we uiteraard wel goed certificeren, we willen immers ook netjes omgaan met de natuur.’

‘Als de gemeentelijke plannen er liggen, kan het hopelijk allemaal een beetje geordender. Warmtepompen worden natuurlijk alleen goedkoper als we dit landelijk gaan regelen. Dat wil je systematisch aanpakken. Rijkswaterstaat kan systematisch wegen bouwen. Die vragen ook niet aan iedere gemeente om een stukje autobaan aan te leggen. Je krijgt dan een nieuwe verhouding tussen centraal en decentraal.’

Waarom maakt Nederland nationaal beleid op sectoren, die onder het Europese emissiehandelssysteem ETS vallen?

‘Daar kan je twee verhalen over vertellen. Eerst het verhaal waar ik het meeste in geloof. We hadden het net over de wisselwerking tussen energieopwekking, infrastructuur en vraag. Dat los je alleen op met nationaal beleid. ETS is fijn als onderligger, maar je kan er niet mee sturen. Een transitie met infrastructuur als kernstuk kan je alleen maar nationaal geordend aanpakken. Dus ETS is mooi als rugwind, maar meer niet. Hogere CO2-prijzen zullen zorgen voor meer R&D in de energie-intensieve industrie. Dat zal weliswaar niet hoofdzakelijk in Nederland ontwikkeld worden, maar Nederland kan er wel van meeprofiteren. De andere zienswijze is dat je denkt: het ETS-systeem gaat sowieso richting nul. Dan gebeurt er de eerste vijf jaar niet zoveel omdat je immers een lagere ETS-prijs hebt dan de nationale en bedrijven geen infrastructuur hebben, maar dan zouden daarna deze problemen worden aangepakt. Persoonlijk denk ik dat dat onjuist is, omdat het infrastructuurprobleem niet wordt opgelost.’

‘Wij hebben in Nederland die industriële clusters en die zullen het samen moeten oplossen. Daarom gaan we in Nederland nu experimenteren met het instrument van een ‘safehouse’. Bedrijven moeten hun plannen kenbaar maken aan de netbeheerders, maar willen die geheim houden voor hun concurrenten. Een onafhankelijk kennisorgaan gaat die informatie geanonimiseerd doorrekenen. Het ETS zorgt op zichzelf niet voor de gecoördineerde aanpak die nodig is, maar zal voor belangrijke rugwind zorgen.’

U gaat later dit jaar met pensioen. Over welke kwesties bent u van standpunt veranderd?

‘Ik werk sinds 1992 aan energiebeleid. Toen ik in die begintijd bij het ministerie van Economische Zaken werkte vond ik CCS curieus, want CCS is een pure klimaatoplossing. Als je in zuiver energetische termen denkt, is CCS onzin. Het kost energie en je stopt CO2 in de grond. Dat vond ik als energieman een beetje mal. Destijds was het energiebeleid niet specifiek gericht op klimaat. We richtten ons op energie-efficiency en duurzame energiebronnen. Klimaat was bijzaak. Dat is nu natuurlijk hoofdzaak geworden en daarom zie ik CCS nu als noodzaak.’

‘Datzelfde geldt eigenlijk voor landbouw. Destijds was eigenlijk alleen de glastuinbouw van belang in het energiebeleid, maar veeteelt en landgebruik kwamen in je vocabulaire helemaal niet voor. Ik was me toen helemaal niet bewust van de integratie van landbouw en energiebeleid en van het feit dat Nederland daar een heel groot probleem mee krijgt. Nu denk ik dat landbouw en landgebruik een taai klimaatprobleem worden’

In het Klimaatakkoord gebeurt ook niet veel met landbouw, toch?

‘Als je mij persoonlijk vraagt: wat moet er in de komende 10 jaar nu echt veranderen is het dat. In de industrie geldt: we beginnen te begrijpen wat er moet gebeuren en dat gaan we doen. Bij de gebouwde omgeving zijn we daar over zeg twee jaar, is mijn inschatting. Met elektriciteit doen we het al. Transport is eigenlijk Europees beleid en de EU begrijpt eigenlijk best waar het om gaat. Maar bij landbouw is het mist. In ons hart weten we het wel. Maar in Nederland is er geen overeenstemming over. Met technieken krijgen we de emissies uit de veeteelt niet drastisch omlaag. Je krijgt ze niet naar nul. De landbouwsector vraagt daarom om negatieve emissies elders, maar alle laatste restjes aan CO2-reductie totdat we klimaatneutraal zijn, zullen moeilijk zijn en ik kan niet goed verzinnen waarom de landbouw dan belangrijker is dan iets anders. Ik vermoed dat er andere stukjes met laatste emissies zijn die voor de economie veel belangrijker zijn. Hier is het gemeenschappelijk denken nog niet eens begonnen, want het gaat ook over onze consumptiepatronen.’

‘Dan hebben we ook nog het landgebruik. Bijna alle Europese landen zijn daarmee spekkoper, want die hebben bossen die per saldo emissies opnemen. Maar Nederland is met Denemarken het enige land dat netto emissies als gevolg van landgebruik heeft. Weinig bossen en veel veenweide. Dat is een drama. Europa zal zeggen: “Jullie lossen het maar op. We gaan jullie daar niet mee helpen.” We staan daarin alleen, net als bij de pulsvisserij. Denemarken heeft tenminste nog een voorsprong genomen. Denemarken wil in 2030 70% emissiereductie gehaald hebben. Die hebben dan nog 20 jaar om die andere 30% te reduceren en de landbouw op te lossen. En wij zitten dan pas op de helft!’

 

Welke opties blijven er nog over voor de niet-elektrische helft van het energiesysteem?

‘Dit weten we echt nog niet. De volgorde is dat we nu eerst de elektriciteit duurzaam maken. Over tien jaar zitten we op 70% hernieuwbare elektriciteit. Dan hebben we de komende 10 jaar om over die ander helft na te denken. We gaan natuurlijk wel demonstratieprojecten doen met onder meer waterstof. Of die waterstof nou heel groot gaat worden weten we eigenlijk nog niet. Het kan groot worden via CCS als blauwe waterstof. Dan heb je nog wel een beetje uitstoot en het blijft betrekkelijk duur. Die waterstof kun je gebruiken voor de dingen waar je echt geen andere oplossing voor weet. Maar daarmee haal je geen 50% van het energieverbruik. Je lost er wel de moeilijke dingen die overblijven mee op.

Aan die demo’s werken is altijd verstandig. En we zoeken naar alternatieve brandstoffen uit biomassa. Welke verhouding van elektriciteit en schone gassen dat wordt weten we nog niet. Misschien komt er nog iets anders bij, maar nieuwe dingen komen nooit uit de lucht vallen. Je hebt 25 jaar nodig voordat een nieuwe techniek een half procent van de energievoorziening levert, dus het is erg onwaarschijnlijk dat we over 25 jaar zomaar over een optie beschikken, die we nu nog niet kennen. Dan blijft alleen nog een drastische verbetering van de energie-efficiëntie over. Dat kost veel geld, maar het scheelt wel echt.’

U waarschuwde in een column dat de EU bij het opschroeven van de klimaatdoelen de gebouwde omgeving ook in een ETS-achtig systeem overweegt te stoppen. Hoe moet ik me dat voorstellen?

‘Dit weet nog niemand. In juni komt de Europese Commissie met uitgewerkte voorstellen over energie en klimaat. De Europese doelstelling gaat omhoog naar 55% in 2030. Dat wordt verdeeld over ETS (emissiehandel voor industrie en stroom) en ESR (de ander sectoren). In een van de varianten zou een deel van de ESR-sectoren bij het ETS getrokken worden. Iedereen die daar echt over nadenkt is er tegen. De transitie in de gebouwde omgeving is duurder dan in de industrie, want de industrie betaalt geen of weinig energiebelasting. Die twee sectoren moet je niet in één mandje willen stoppen, dus het zou een apart handelssysteem worden. Mobiliteit zou men daar desgewenst ook in kunnen komen. Een ander nadeel is dat prijselasticiteit in de gebouwde omgeving en mobiliteit heel laag is. Prijsprikkels werken daar minder goed dan in de industrie.’

Waarom ligt het idee dan toch op tafel?

‘Men vermoedt dat het uit de koker van Duitsland komt. Duitsland experimenteert met een CO2-prijs voor de gebouwde omgeving en mobiliteit. Men vermoedt ook dat Duitsland dit in Europa voorstelt om de auto-industrie te beschermen. Als je emissienormen voor auto’s nog verder opschroeft, betekent dat eigenlijk het einde van de benzine- en dieselauto. Duitsland zal als een leeuw vechten om dat te voorkomen. Daarom komen ze met die emissiehandel voor mobiliteit als alternatief voor normen, denken tegenstanders van dit idee. Het zou zeker niet in het Nederlands belang zijn, want wij hebben strengere normen voor auto’s hard nodig.’

Ad Louter van Nucleair Nederland verklaarde in TW niet te begrijpen waarom we in Nederland geen goedkope Chinese kerncentrale neerzetten. Want we schroeven toch ook Chinese zonnepanelen op ons dak en kopen Chinese elektrische bussen. Wat denkt u daarvan?

‘Dat vind ik een grappige mening! Even afpellen. Met een zonnepaneel staat of valt de veiligheid van onze informatietechnologie nou niet bepaald. En een bus is gewoon een elektromotor met een batterij. Met KPN zijn we al een beetje voorzichtig. Maar kerntechnologie is ongeveer de meest gevoelige technologie die er in de wereld bestaat. De scheidslijn tussen kerncentrales en kernbommen is niet absoluut. Kan je dan voorstellen dat we in het huidige tijdsgewricht zoiets gaan doen met de meeste gevoelige technologie die er op de wereld bestaat? Daar kan ik me niks bij voorstellen.’

Ontvang de nieuwsbrief

Meld je nu aan!

Gratis proefabonnement TW

Bestel nu 2 gratis proefnummers TW