De moeizame maar zekere weg naar het materialenpaspoort | Technisch Weekblad
Achtergrond

De moeizame maar zekere weg naar het materialenpaspoort

Op de weg naar meer circulaire bouw is het materialenpaspoort een van de belangrijkste hulpmiddelen. Het concept wordt dan ook gedragen door de hele bouwwereld, maar de uitdagingen zijn nog talloos. Toch blijven betrokkenen vertrouwen houden. ‘Ik ben meer hoopvol dan terneergeslagen.’

‘De eerste keer dat ik heb gehoord van een materialenpaspoort was in 2011, toen ik benaderd werd door Thomas Rau’, vertelt Martijn Oostenrijk, nu directeur van Madaster dat een materialenpaspoort aanbiedt. ‘Hij had voor opdrachtgever Alliander het concept van een materialenpaspoort geponeerd, maar liep tegen de grenzen aan van wat het financieel betekent.’

Rau is architect en oprichter van het architectenbureau RAU. Hij ontwierp in 2016 de renovatie van het kantorencomplex van energienetbeheerder Alliander in Duiven. Daarbij wist hij 80% van de oudbouw te hergebruiken, zelfs afgedankte werkkleding van de Alliander-medewerkers werd verpulverd en geperst tot isolatiemateriaal.

De in Nederland wonende architect legde daarbij al het gebruikte materiaal vast in een paspoort: het materialenpaspoort. Rond die tijd kwam Oostenrijk Rau opnieuw tegen. ‘Hij inspireerde me met het concept circulaire economie. Als je daar aan wil beginnen, zo zei hij, begint het met weten wat je hebt.’

Materialenpaspoort

Of Rau nu werkelijk bedenker van het materialenpaspoort is, is lastig te achterhalen, maar Oostenrijk vermoedt het wel. Wel is het zeker dat het materialenpaspoort nu stevig voet aan de grond heeft gekregen. Rau heeft daar op zijn minst een significante bijdrage aan geleverd vanuit zijn gedachtegoed en met de oprichting van het online materialenpaspoort Madaster, het bedrijf waar Oostenrijk nu directeur van is.

‘In de basis is het materialenpaspoort een digitale registratie van een fysiek object’, vertelt Oostenrijk. ‘De registratie vertelt welke materialen of producten in een gebouw, snelweg of brug zijn toegepast, waar en in welke hoeveelheid ze zich bevinden, en in hoeverre ze geschikt zijn voor circulair gebruik.’

De overheid ondersteunt het materialenpaspoort, met subsidies voor bedrijven die het willen gebruiken en met de verplichting dat vanaf 2023 circulariteit een onderdeel is bij komende aanbestedingen van het Rijk, provincies en gemeenten. Bovendien zal het nu nog te vormen kabinet in 2022 moeten beslissen over de vraag of het materialenpaspoort een opdracht voor de hele bouw wordt – vijf (linkse) politieke partijen hadden dat alvast in hun programma voor de laatste verkiezingen opgenomen.

Bouwen vanuit beschikbaarheid

BAM Infra schaart zich, net als alle andere grote bouwbedrijven, achter het materialenpaspoort. Het concern heeft zich ten doel gesteld om in 2030 een circulaire bouwer te zijn met onder meer in tenders de hoogste score voor circulariteit en duurzaamheid, een emissieloze dan wel emissiearme bouwplaats en 100% hernieuwbare energie.

Dan moet ook het gebruikt van een materialenpaspoort bij BAM Infra normaal zijn geworden, vertelt Noor Gerretsen, specialist Duurzaam en Circulair bouwen bij BAM Infraconsult. ‘We zijn ervan overtuigd dat circulariteit een integraal werkstuk is. Alle disciplines moeten daaraan bijdragen, van ontwerp tot uitvoering.’

Ze vervolgt: ‘Waar we uiteindelijk naartoe willen is dat we bouwen vanuit beschikbaarheid in plaats van uit behoefte. De materiaalpaspoorten die we nu opstellen dienen om inzicht te krijgen en het hergebruikpotentieel van objecten, elementen en materialen inzichtelijk te maken.’

Niet één route

Het probleem is dat dat proces nu nog gefragmenteerd is, vertelt haar collega Yorick Laarhoven, specialist BIM bij BAM Infra Nederland. ‘Het is dusdanig complex dat er niet één route naar één paspoort is. Er zijn eerder meerdere variaties en combinaties die leiden naar een paspoort met meerdere mogelijkheden. Als bouwer moeten we het paspoort van informatie voorzien, maar aan de andere kant moeten beheer en onderhoud daar informatie aan toe kunnen voegen gedurende de looptijd van de projecten.’

Gerretsen: ‘Het materialenpaspoort is een levend document, er wordt gedurende de levensduur van een bouwwerk tot en met de sloopfase data aan toegevoegd. De technische levensduur van een viaduct is 100 jaar, dat is zo ver vooruit. De grote uitdaging is wat er dan met die informatie gaat gebeuren. Circulariteit is een complex vraagstuk met veel gelaagdheden.’

‘Er komt bovendien veel bedrijfsgevoelige informatie bij kijken. Niet iedereen wil prijs geven welke grondstoffen er in zijn materiaal zitten. De vraag is dus welke essentiële informatie in het paspoort moet staan en tot welk detail dat moet gaan om het doel van het paspoort te realiseren. Het materialenpaspoort is een groot vraagstuk dat een andere manier van werken vergt.’

Afspraken in de bouw

Platform CB’23, een initiatief van onder meer Rijkswaterstaat dat bestaat uit bouwbedrijven, adviesbureaus, onderwijsinstellingen en andere landelijke overheidsorganisaties, wil het antwoord geven op deze vragen. Het platform heeft zich ten doel gesteld nog voor 2023 nationale, bouwsector-brede afspraken op te stellen over circulair bouwen.

Zo wil Platform CB’23 in zijn huidige, tweede leidraad dat een paspoort digitaal aangeboden wordt en de informatie open en compatibel met meerdere platformen is. Ook moet er voldoende aandacht zijn voor de latere gebruiker van het paspoort.

Bouwend Nederland heeft die uitgangspunten in de praktijk getest. De vereniging van bouw- en infrabedrijven rondde met opdrachtgevers in het najaar van 2020 de Materialen Expeditie af, een twaalf maanden durend onderzoek bij veertien pilotprojecten naar waar een materialenpaspoort aan moet voldoen en wat het moet vastleggen.

Dat leidde onder meer tot de conclusie dat er verschil moet worden gemaakt in type projecten. Een-op-een hergebruik van bouwelementen vereist minder informatie van de materialen en juist meer over onderlinge verbindingen. Bij hergebruik van materialen is dat precies andersom.

Traditioneel

Al is de wil en ambitie er, de praktijk is – niet geheel onverwacht – nog niet zo ver dat een materialenpaspoort de norm is. ‘De bouw is heel traditioneel. Dat merk je bij contractvorming. In een traditioneel contract is veel strak omkadert. Bewegingsruimte om aan een materialenpaspoort te denken biedt deze nog niet echt, al groeit de urgentie bij opdrachtgevers en ontstaat er meer ruimte voor deze ontwikkelingen’, zegt Laarhoven.

Het is ook lastig om in de bouw de aanpak te veranderen,  vult Gerretsen aan. ‘BAM Infra is een projectorganisatie. Elk project is uniek, maar wordt wel ingericht middels standaard processen. We willen de geleerde lessen uit een project uiteraard toepassen in een nieuw project.’

‘Veel opdrachtgevers zijn ambitieus in hun duurzaamheidsdoelstellingen, die strijdig kunnen zijn met de technische eisen in het contract’, vervolgt ze. ‘Daarbij wil de ene opdrachtgever zich richten op CO2-reductie, de ander op circulair bouwen, een volgende op biodiversiteit of de leefomgeving. Elke opdrachtgever wil net wat anders op een net andere manier in een net iets ander contract. Dat maakt het tot een enorme zoektocht voor ons.’

Hoopvol

‘Een van de uitdagingen om tot circulaire bouw te komen, is dat de hele bouwketen erin mee moet’, zegt Oostenrijk van Madaster. ‘Dat begint met de opdrachtgever, die circulariteit aandacht moet geven. De architect moet circulair ontwerpen. Niet alleen betekent dat dat het gebouw de- en remontabel is, de architect zal bij zijn keuze van materialen moeten putten uit bestaande materialen en producten. Vervolgens moet de uitwerking worden beetgepakt door de bouwer.’

‘Dus ja, ik herken wat BAM Infra zegt over het toepassen van het materialenpaspoort, maar ik ben wel meer hoopvol dan terneergeslagen. Veel bouwers als VolkerWessels, TBI, Van Wonen en BAM en ontwikkelaars als BPD, AM en Bemog hebben zich aangesloten als partner bij Madaster om zich voor te bereiden op de vraag die komt van opdrachtgevers.’

‘We zien ook dat vanuit gelegenheidsgevers als gemeenten circulariteit steeds meer een rol speelt. Veel is echter nog onduidelijk. Hoe meet je dat? Wanneer doe je het goed? En er is de onterechte veronderstelling dat circulair bouwen duurder is dan traditioneel bouwen. Maar de discussie krijgt steeds meer gestalte. Wat het is, wat het de partijen oplevert en wat het de planeet oplevert.’

Financieel gewin

De bouwbedrijven pakken die handschoen op, zegt Laarhoven. BAM Infra is, net als andere bouwbedrijven, bezig met diverse circulaire oplossingen en concepten voor zowel civiele objecten als voor de wegenbouw.

‘We zijn bezig om nieuwe technieken tot een bepaald niveau te brengen. Dat doe je gezamenlijk als hele sector, van klant tot gebruiker. We moeten gezamenlijk in Nederland de doelen halen’, zegt hij. ‘Het is een proces van tientallen jaren waar we allen mee te maken krijgen. Aan de ene kant zijn we bezig met innovaties om uit te vinden wat de beste weg is om te bewandelen, aan de andere kant kan dat bevorderd worden door inmenging van de overheid.’

Ook Oostenrijk ziet dat als een oplossing – beter gezegd, de eerste stap in de oplossing. ‘We zitten in een spagaat die we moeten oplossen met elkaar. Dat kan op twee manieren. Of de opdrachtgever wordt gedwongen tot circulariteit door een verplichtstelling – en we zien dat de overheid in 2023 dat pad voor zichzelf begint. De andere manier is dat circulariteit financieel gewin biedt. Dat is nu het grote vraagstuk: hoe kunnen we circulariteit vertalen naar financieel gewin? Een bank biedt een goedkopere hypotheek aan als de vastgoedeigenaar een beter risicoprofiel heeft. Het risicoprofiel wordt beter als de accountant de rest- of hergebruikwaarde van materialen en producten op de balans opneemt. De taxateur geeft een hogere restwaarde als er een daadwerkelijke hergebruikmarkt ontstaat.’

‘Ik denk dat de overheid een omgeving moet creëren met een wet- en regelgeving en fiscaal regime dat een digitale circulaire bouweconomie bevordert. Dan krijg je vanzelf de omslag naar de markt. Dan gaat de opdrachtgever circulair uitvragen, de opdrachtnemers circulair werken, de taxateur een hogere rest- of hergebruikwaarde accepteren en dan neemt de accountant die waarde op in de boeken en krijgt de vastgoedeigenaar een beter risicoprofiel.’

‘Wel zie ik, na vier jaar bij Madaster, dat we er veel dichterbij zitten. Ik verwacht dat langzaam maar zeker, tussen de drie en vijf jaar ook de andere stappen genomen worden.

De marktplaatsen voor herbruikbaar bouwmateriaal schieten uit de grond, de eerste stap met stimulans vanuit de overheid is al begonnen. Tesla was er niet gekomen zonder hulp van de overheid. Dat zullen we ook met de circulaire economie moeten doen. Het is een publiek belang.’

Ontvang de nieuwsbrief

Meld je nu aan!

Gratis proefabonnement TW

Bestel nu 2 gratis proefnummers TW