Goede vraag: Hoeveel consensus over biomassa heeft het PBL kunnen vinden? | Technisch Weekblad
Achtergrond

Goede vraag: Hoeveel consensus over biomassa heeft het PBL kunnen vinden?

Biomassa is de laatste tijd uitgegroeid tot de meest controversiële hernieuwbare energiebron. Voor de een is het een schaamlap die alleen boekhoudkundig klimaatneutraal is, terwijl het voor de ander de hoeksteen van de hernieuwbare energiedoelen is en op termijn onmisbaar voor negatieve emissies. Deze maand kwam het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) na 10 maanden onderzoek en vooral veel overleg met 150 deskundigen en belanghebbenden met het rapport ‘De beschikbaarheid van duurzame biomassa en de toepassingsmogelijkheden daarvan in Nederland’. Waren de deelnemers het ergens over eens?

Het PBL-rapport moet als basis dienen voor een ‘duurzaamheidskader’ dat de Sociaal Economische Raad (SER) de komende maanden gaat opstellen. Dan zal er toch echt overeenstemming bereikt moeten worden. ‘We hebben een stap gemaakt in de richting van maximale consensus,’ stelde onderzoeker Strengers omslachtig in NRC. Het PBL vond vooral gigantische verschillen in de hoeveelheden biomassa, die volgens verschillende groepen verantwoord beschikbaar zijn.

In Nederland wordt nu ruim 325 PJ per jaar gebruikt voor non-food. In 2030 zit er tussen het minimum (350 PJ) en maximum-scenario (1.950 PJ) bijna een factor 6. In 2050 is die kloof gegroeid tot een factor 8 (500 PJ tot 4.150 PJ). Hierover valt meer te lezen in het ondersteunende rapport Bio-Scope Toepassingen en beschikbaarheid van duurzame biomassa op de website van CE Delft.

Dit jaar moet Nederland volgens EU-doelstellingen 14% van zijn energie uit hernieuwbare bronnen halen. Dat is nu de helft, waarvan weer tweederde voor rekening van biomassa komt. Zonder biomassa zou Nederland dus op minder dan 3 procentpunt van de 14%-doelstelling zitten. Dat er dus op zijn minst een rol voor biomassa weggelegd is, is onbetwist.

Evenmin betwist zijn de klimaatdoelstellingen an sich. Ook is er overeenstemming over het feit dat sommige toepassingen belangrijker zijn dan andere (cascadering). Toepassing als grondstof staat bovenaan de pikorde als fossiele brandstoffen worden uitgefaseerd. Gebruik voor opwekking van energie is het meest te verkiezen in situaties waar alternatieven niet of nauwelijks voorhanden zijn. Tenslotte zijn ongebruikte restjes de beste keuze en komt het liefste van dichtbij. Tot daar de eensgezindheid.

Het PBL onderscheidt 5 ideaaltypen die achtereenvolgens als centrale waarde: klimaat, lokaal hernieuwbaar, biodiversiteit, armoedebestrijding en hernieuwbaar mondiaal grondstoffengebruik hebben. Sommige daarvan zijn lastig te onderscheiden en het wordt nog minder overzichtelijk als het planbureau er vervolgens vanuit gaat dat biomassa voor het tweede en derde type alleen uit Europa mag komen en vervolgens met die beperkte beschikbaarheid gaat doorrekenen. Zo ontlopen in de tabel op pagina 103 de begrote behoeften in 2050 in de scenario’s ecologie (300 PJ) en hernieuwbaar mondiaal grondstoffengebruik (580 PJ) elkaar weinig, maar gebruikt Nederland in het eerste geval 6,5 % van de Europese biomassa en in het tweede geval 0,6 % van de wereldwijde biomassa. Die twee getallen staan als appels en peren naast elkaar. Allebei is het biomassa, maar toch zijn ze niet te vergelijken.

De hele bovenstaande exercitie wordt uitgevoerd om uit te rekenen of Nederland zijn ‘fair share’ van de beschikbare biomassa overschrijdt. Nederland vertegenwoordigt bijvoorbeeld economisch 0,9 % van de wereld, qua inwoners 0,22 % en qua oppervlak 0,03 %. Als het meer gebruikt, zou je kunnen stellen dat we meer nemen dan waar we recht op hebben. Maar vervolgens stelt het rapport dat het begrip niet zinvol is en ook niet op andere grondstoffen wordt toegepast. Dan hadden we ons de moeite kunnen besparen. Hoe dan ook: het laatste woord over de kwestie is nog niet gesproken.

Ontvang de nieuwsbrief

Meld je nu aan!

Gratis proefabonnement TW

Bestel nu 2 gratis proefnummers TW