Achtergrond

Rem op doorgeslagen competitie om onderzoeksgeld

Zes van de zeven onderzoeksvoorstellen worden niet gehonoreerd, terwijl het maanden werk kost om zo’n voorstel in elkaar te zetten. Aan deze massale collectieve tijdverspilling onder de crème de la crème van de Nederlandse onderzoekers moet een einde komen, vindt vrijwel iedereen. Maar hoe?

De competitie om onderzoeksgeld in Nederland is moordend geworden. Dat heeft deels te maken met het feit dat het aantal onderzoeksbanen nauwelijks is toegenomen, terwijl het aantal hoger opgeleiden astronomisch is gegroeid. Waar je 25 jaar geleden op het VWO nog te horen kreeg dat je ‘tot de 5 %’ behoorde, haalt tegenwoordig de helft van de jongeren een diploma van wo- of hbo-instelling. Het heeft geleid tot een stoelendans om tijdelijke contracten en stortvloed aan overwerk en burn-outs onder academici. Maar zeker zo belangrijk is de manier waarop het onderzoeksgeld in Nederland verdeeld wordt.

De verdeling van onderzoeksgeld in Nederland mag wel wat competitiever, vond toenmalig onderwijsminister Ronald Plasterk in 2007. De beste onderzoekers moeten meer geld krijgen, anders blijft Nederland achter in de vaart der volkeren. Daarom verschoof Plasterk € 100 miljoen van de eerste geldstroom (de directe financiering van universiteiten) naar de tweede geldstroom (geld dat door wetenschapsfinancier NWO via competities verdeeld wordt). Twaalf jaar later keert de wal het schip en lijkt de beleidswijziging aan zijn eigen succes ten onder te gaan. De roep om het terugdraaien wordt steeds luider en vorige week adviseerde de invloedrijke Commissie Van Rijn om niet alleen tientallen miljoenen euro’s extra naar technische opleidingen te sturen, maar ook om ‘de Plasterk-miljoenen’ terug te geven aan de universiteiten.

Dat de competitie om onderzoeksgeld is doorgelagen realiseert ook de NWO zich. Dat de kans van een onderzoeksvoorstel op succes 1 op 7 is, is van de zotte, vond NWO voorzitter Stan Gielen. Hij pleitte anderhalf jaar geleden voor een kans van 1 op 4. Maar hoe bereik je dat, als het onderzoeksbudget niet toeneemt? Gielen vond dat onderzoeksgroepen meer zelfdiscipline moesten betrachten en minder opportunistisch schoten hagel moesten afvuren op de beoordelingscommissies. Als decaan van de bètafaculteit van de Radboud Universiteit was Gielen zelf veel selectiever. ‘Als er een aanvraagronde van NWO aankwam, gingen we altijd met de onderzoeksdirecteuren bij elkaar zitten: wie zijn het meest kansrijk? De anderen moet je geen aanvraag laten doen. Je houdt ze van hun werk af en het leidt niet tot resultaat’, zei hij in gesprek met het Hoger Onderwijs Persbureau.

De Vidi is een prestigieuze onderzoeksbeurs voor jonge onderzoekers om een eigen onderzoeksgroep mee te kunnen starten. De gelukkigen krijgen € 800.00 voor vijf jaar. Vorig jaar kon de wetenschapsfinancier NWO slechts 86 van 571 aanvragen honoreren: net 15 %. Dat is eeuwig zonde van de schaarse tijd van zowel de onderzoekers als de beoordelaars. Dit jaar heeft NWO een maatregel genomen om de stroom van onderzoeksvoorstellen in te dammen: de inbeddingsgarantie. Een onderzoekers kan alleen nog een aanvraag indienen als een onderzoeksinstelling zijn voorstel steunt en een vaste onderzoeksplek toezegt als het voorstel gehonoreerd wordt.

Op het eerste gezicht bereikt de maatregel puur kwantitatief gezien zijn doel. Dit jaar was het aantal aanvragen een kwart lager dan vorig jaar. Maar er kleven ook veel nadelen aan de nieuwe aanpak. Onderzoekers met een vaste aanstelling worden zo onterecht voorgetrokken vinden belangenorganisaties van jonge onderzoekers, zoals de Jonge Akademie. Slechts 30 % van de jonge onderzoekers vindt de inbeddingsgarantie een goed idee, bleek bij een enquête van de Volkskrant onder 500 onderzoekers die tussen 2013 en 2015 een Veni (het eveneens prestigieuze opstapje naar de Vidi) kregen. ‘De Vidi was bij uitstek een kans om ‘binnen’ te komen. Nu heb je alleen maar een kans als je al binnen bént’, volgens een van de respondenten. De Jonge Akademie stelt dat universiteiten geen inhoudelijke afweging maken bij het al dan niet afgeven van een inbeddingsgarantie. Volgens voorzitter Belle Derks van de Jonge Akademie zou het eerlijker zijn om het om te keren: geen inbeddingsgarantie als voorwaarde om een aanvraag te mogen doen, maar wel als voorwaarde voor uitbetaling als je eenmaal de beurs gewonnen hebt. Maar daarmee verdampt het remmende effect natuurlijk onmiddellijk.

Een slimmer idee lijkt een soort voorselectie, zoals nu ook bij Veni-beurzen wordt toegepast, waarbij op basis van een summier voorstel, een beperkt aantal onderzoekers mag meedoen aan een tweede ronde waarin dan pas het traditionele tijdsintensieve volledige voorstel op tafel hoeft te komen. Anderen pleiten weer voor loten tussen min of meer gelijkwaardige onderzoeksvoorstellen.

Hoe belangrijk een succesvol onderzoeksvoorstel is voor het vervolg van een wetenschappelijke carrière toonden onderzoekers van de UvA vorig jaar in Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS). Dat bekende wetenschappers meer kans hebben op onderzoeksgeld, is als vaak aangetoond. In de wetenschap staat dit bekend als het Mattheus-effect: de rijken worden rijker gemaakt en de armen worden nog verder verarmd. In PNAS lieten de UvA-onderzoekers zien dat met voorstellen van vergelijkbare kwaliteit een onderzoeker die nét wel een beurs gekregen heeft een 2,5 maal zo grote kans heeft op toekomstig onderzoeksgeld als een onderzoeker die nét geen beurs gekregen heeft. Ze voerden daarvoor op elegante manier met regression discontinuity design een analyse uit van NWO-onderzoeksvoorstellen. De gevolgen van zo’n miniem verschil in beoordeling zijn levensgroot en niet te rechtvaardigen.

Daarom wil de onderzoekswereld naar het ideaal van ‘Team Science’, waarbij het minder draait om individuele steronderzoekers en meer om de beloning van teamprestaties. Die cultuur, waarin onaantastbare onderzoeksdiva’s op het schild gehesen worden, zorgt voor een steeds langere lijst van verhalen over angst, excessen en machtsmisbruik naar boven. Zo bleek vorige week nog uit een enquête onder 500 jonge onderzoekers dat de helft van hun wel eens anoniem had meegeschreven aan peer reviews van een hogergeplaatste. 80 % van hen vond dat oneerlijk.

Een totaal andere denkrichting is de democratisering van de wetenschap die ecoloog en Spinoza-laureaat Maarten Scheffer enkele jaren geleden voorstelde: iedere wetenschapper mag een bepaald bedrag toekennen aan iemand anders die hij goed vindt. Over de oplossing verschillen de meningen. Maar dát er iets moet veranderen aan de manier waarop onderzoeksgeld in Nederland verdeeld wordt, daarover is vrijwel iedereen in Nederland het eens. Wordt vervolgd.

DORA en de wetenschapper in 2030

Op 23 mei denken ZonMw en NWO tijdens de conferentie Evolutie of revolutie?  verder over hoe de onderzoekswereld gezonder kan worden. Recent ondertekenden NWO, de KNAW en ZonMw de San Francisco Declaration on Research Assessment (DORA) en sloten zich daarmee aan bij 1200 organisaties en 14.000 onderzoekers wereldwijd. Uitganspunt is dat citatiescores en impactfactoren van wetenschappelijke tijdschriften minder belangrijk moeten worden bij het beoordelen van wetenschappers. Onderwijs, maatschappelijke impact en samenwerking moeten belangrijker worden.

Ontvang de nieuwsbrief, binnenkort 2 keer per week

Meld je nu aan!

Gratis proefabonnement TW

Bestel nu 2 gratis proefnummers TW