Nieuws

90 Jaar Hoogovens: ‘Staal is een fantastisch materiaal’

Hoogovens is al negentig jaar een bedrijf dat technologie voorrang geeft bij de productie van staalproducten. ‘Eerst komt de techniek en de productie. Plannen maken om de producten te verkopen komen later wel.’

Geen Nederlandse onderneming heeft zo’n uitgestrekt productiecentrum als Corus in IJmuiden. En wie raakt niet onder de indruk van de noeste arbeiders bij een aftappunt van een hoogoven, waar het ruwijzer uit vloeit? Het is een woest spel van vlammen, vonken en rook. Elke IJmuidenaar – ook die op kantoor – voelt zich diep in zijn hart zo’n hoogovenarbeider.

Het jubileumboek ‘1918 – 2008, negentig jaar staalbedrijf in IJmuiden’ laat er geen misverstand over bestaan: staal produceren is altijd een ruw bedrijf geweest, alleen geschikt voor robuuste mannen die ijzer met handen kunnen breken.

Maar de tijden veranderen. De ijzer- en staalproductie raakt steeds meer geautomatiseerd en verfijnder bestuurd. De steeds beter geschoolde arbeiders zitten achter beeldschermen en draaien aan knoppen. Technologie speelt nog steeds de belangrijkste rol, maar er wordt langzamerhand ook beter geluisterd naar de markt.

Corus in IJmuiden is een zogenaamd ‘geïntegreerd’ staalbedrijf. Op het immense terrein aan het Noordzeekanaal worden zowel grondstoffen verwerkt als eindproducten voor klanten gemaakt. Na elke stap in het proces kan het product worden verkocht óf in het eigen bedrijf verder bewerkt. Corus IJmuiden verkoopt onder meer enorme plakken staal, maar ook specialties zoals batterijstaal en compleet voorgevormde en in elkaar gelaste carrosseriedelen van auto’s. Maar ook worden hier de producten uit de ene stap in een volgende fase verder behandeld.

Staal produceren begint met het maken van ijzer. In de haven van het Corus-terrein voeren schepen zowel ijzererts als kolen aan. Het ijzererts wordt gebakken tot sinters (ruwe brokken) of pallets (knikkers), de steenkool wordt tot cokes verwerkt. In de twee hoogovens gaat het bewerkte erts een verbinding aan met de cokes. Dat levert vloeibaar ruwijzer op, dat naar de oxystaalfabriek gaat. Daar wordt in converters zuurstof door het vloeibare ijzer geblazen. Die zuurstof gaat een verbinding aan met het koolstof in het ijzer, waardoor dit koolstof – gedeeltelijk – uit het ijzer verdwijnt. Er blijft staal over, dat door het lagere koolstofgehalte taaier (minder bros) is dan ijzer.
Vervolgens gaat het staal naar warmbandwalsen, waar de 22,5 cm dikke plakken staal met een lengte van 12 m worden uitgewalst tot een dikte van 1 tot 1,5 mm en een lengte van 1800 m. Moet het nog dunner, dan gaat dit staal naar een koudbandwals waar een sheet met een dikte van enkele tienden van een millimeter overblijft. Voor bepaalde toepassingen kan nog een verzink-, vertin- of chroombehandeling volgen.

Corus IJmuiden produceert jaarlijks in haar twee hoogovens 6,5 miljoen ton ruwijzer. Dat gebeurt in Hoogovens 6 en 7, want de eerste vijf zijn gesloopt. Het International Iron and Steel Institute heeft onlangs Hoogoven 6 – jaarlijkse productie drie miljoen ton ruwijzer – op basis van productiviteit, cokesgebruik en veiligheid, het predikaat ‘meest efficiënte hoogoven ter wereld’ gegeven.

Staal produceren is kapitaalsintensief, het gaat om zeer grote installaties die decennia mee moeten. Daarmee ligt de productietechnologie voor lange tijd vast. ‘Technologie zit in onze genen’, zegt ir. Dook van den Boer, director manufacturing van Corus IJmuiden. ‘Staal maken doe je met techniek, niet met een marketingplan. Je wilt dingen maken die een ander niet kan. Je moet technische oplossingen bedenken, met techniek de kostprijs omlaag brengen. Dat vraagt om hoge investeringen. Daarom is hier ook altijd geld geweest voor R&D, ook in moeilijke tijden.’ Als keerzijde geldt, dat er minder oog is voor de markt. ‘We zijn volgend in wat er in de markt gebeurd. Eerst komt de techniek en de productie. Plannen maken om de producten te verkopen komen later wel.’

De technologie ontwikkelt zich en dat leidt tot steeds sterker én vervormbaarder staal, tot dunnere platen, en minder energiegebruik per ton product. Voor bijvoorbeeld bruggen is zeer sterk staal nodig, waarbij de sterkte kan oplopen tot 1500 of zelfs 2000 MPa; voor autocarrosseriën geldt dat het én sterk (800 MPa) én vervormbaar moet zijn. Het dunste verpakkingstaal is 0,15 mm dik. Het cokesgebruik per ton staal is gedaald van 1000 kg per ton ruwijzer in 1950 naar 220 kg/ton vorig jaar.

Corus IJmuiden vergelijkt zich met de staalbedrijven van Arcelor Mittal in Duinkerken (dezelfde productieomstandigheden, ligt ook aan zee) en het technisch zeer vooruitstrevende Koreaanse Posco. Daaruit blijkt dat Corus IJmuiden de laagste kostprijs voor staal in Europa realiseert. Wereldwijd ligt dat anders: Corus zit in de kopgroep, maar vooral de arbeidskosten en ook milieukosten liggen buiten Europa lager.

Die benchmarks leveren nog een gegeven op. Van den Boer: ‘IJzer maken kunnen we als de beste, maar in de walserijen moeten we nog een slag maken, qua kostprijs maar ook in kwaliteit en uitval. Je moet wel bij anderen kijken, maar niet één op één kopiëren. Facetten daarvan moet je inbrengen in je eigen productie. Dat is ook de lol van technologie: iedereen kan dezelfde spullen kopen, maar de zoektocht zit in de juiste combinatie daarvan.’

Corus IJmuiden gaat momenteel door een moeilijke periode. De wereldwijde financiële problemen en het als gevolg daarvan terugschroeven van de productie in de autoindustrie gaan niet aan Corus voorbij. De staalproductie is onlangs met twintig procent verminderd. Toch is Van den Boer niet pessimistisch over de toekomst. De staalindustrie is geen sunset industry, geen bedrijfstak op zijn retour.

‘Staal is een fantastisch materiaal’, stelt Van den Boer. ‘Melkbussen worden er niet meer van gemaakt, maar er ontwikkelen zich voortdurend nieuwe toepassingen. In de autoindustrie leek aluminium het van staal te winnen, maar door de hoge energieprijzen is dat niet gebeurd. Ook de ontwikkeling van hogesterktestaal heeft dat voorkomen.’

Een mooi voorbeeld waarin Corus wél de vragen uit de markt volgt, betreft badkamerproducten, zoals bussen scheerschuim en ontharingscrème. Vrouwen stellen namelijk hogere eisen aan het uiterlijk van staal dan mannen. ‘De bussen voor scheerschuim – een product voor mannen – zijn gerold en de uiteinden aan elkaar gelast. De bus bevat een lasnaad, die voelbaar en zichtbaar is. Een print – plaatje en tekst – loopt niet door op de lasnaad. De bus voor ontharingscrème – een vrouwenproduct – is diepgetrokken. Dit is een moeilijker en dus duurder proces, maar levert een bus uit één stuk zonder lasnaad op. De print loopt door over het hele oppervlak.’ 

Van KNHS tot Corus
Begin vorige eeuw betrekken Nederlandse bedrijven ijzer en staal uit met name Duitsland, Engeland en Frankrijk. Die afhankelijkheid zint een twintigtal industriëlen niet; onder hen Frits Fentener van Vlissingen, Anton Philips en Coen Stork. Tijdens de Eerste Wereldoorlog stagneert de aanvoer van deze basismaterialen.
Na ruim tien jaar overleg wordt op 18 september 1918 de Koninklijke Nederlandse Hoogoven en Staalfabrieken (KNHS) opgericht. Het is een voor de Nederlandse markt bedoelde basisindustrie, waarin de Nederlandse staat deelneemt. Stuwende kracht achter de oprichting is Henri Wenckebach; hij wordt de eerste directeur.
De productie begint pas op 22 januari 1924, als mevrouw Wenckebach (haar man is dan al ernstig ziek) Hoogoven 1 ontsteekt. Als locatie is gekozen voor ligging aan zee, vanwege de gemakkelijke aanvoer van grondstoffen. Deze Hoogoven heeft een ruwijzerproductie van 270.000 ton per jaar.
Begin jaren dertig groeit Hoogovens uit tot ’s werelds grootste ruwijzerproducent. Maar staal wordt er nog steeds niet geproduceerd, toch een van de redenen voor oprichting. Pas op 19 maart 1939 gaat de eerste staalfabriek in bedrijf. Na lang wikken en wegen is gekozen voor een fabriek op basis van het Duitse Siemens-Martin-procédé, waarbij het staal in een bad wordt geproduceerd en er lucht – voor koolstofbinding – óverheen wordt geblazen. In de Tweede Wereldoorlog komt de productie door bombardementen en tekortschietende toevoer van grondstoffen stil te liggen.
Na de oorlog krijgt Hoogovens een belangrijke rol in de wederopbouw van de Nederlandse industrie. Daarnaast komt het accent ook steeds meer op export te liggen. De oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal – een voorloper van de EU – in 1951 vormt daarvoor een enorme stimulans. Ook voor export blijkt ligging aan zee een groot voordeel.
In 1953 krijgt Hoogovens zijn eerste warmbandwalserij. Na uitgebreide studie is gekozen voor een Amerikaanse techniek. De installatie voorziet in een belangrijk deel van de Nederlandse en Europese behoefte aan plaatstaal en blik.
In 1958 neemt Hoogovens Oxystaalfabriek 1 in gebruik. Dit is een moderner procédé dan de Martinstaalfabriek, want een oxystaalfabriek kan meer samenstellingen schroot en ruwijzer verwerken, produceert dunner staal en is efficiënter omdat de lucht dóór het vloeibare staal in plaats van er overhéén wordt geblazen.
Om de groei op gang te houden, is schaalvergroting noodzakelijk: meer hoogovencapaciteit, meer walscapaciteit, en meer verwerkingscapaciteit om staalproducten te kunnen maken met steeds meer toegevoegde waarde. In 1963 besluit Hoogovens tot diversificatie en wordt het een tweemetalenbedrijf, door de deelname in aluminiumsmelter Aldel in Delfzijl. In 1968 komt Oxystaalfabriek 2 in bedrijf.
Om verder te groeien in een zich consoliderende markt, gaat Hoogovens in 1972 een fusie aan met het Duitse staalconcern Hoesch uit Dortmund. Maar de eerste oliecrisis van 1973 mondt uit in een wereldwijde recessie met een snel afnemende vraag naar staal. Deze recessie op de staalmarkt houdt aan tot begin jaren tachtig. Dat en culturele en technologische verschillen – het IJmuidense bedrijf blijkt technologisch veel geavanceerder dan Hoesch – leiden tot spanningen binnen het fusiebedrijf Hoogovens/Estel. De fusie wordt in 1982 opgebroken.
Er vinden in die jaren ingrijpende herstructureringen plaats. De nadruk komt te liggen op verdere verwerking van staal. Hoogovens rationaliseert de ijzer- en staalproductie, participeert in een verzinklijn bij Luik en bouwt een dompelverzinklijn. Het bedrijf wordt bovendien steeds sterker in het opwerken van de eigen basisgrondstoffen. In 1987 neemt Hoogovens de Europese activiteiten van de Amerikaanse aluminiumgigant Kaiser over. Met Aldel vormt dit de divisie Aluminium.
In de jaren negentig ziet de bedrijfsleiding zich geconfronteerd met concentraties in de staalindustrie die grotendeels langs geografische scheidslijnen verloopt. Hoogovens dreigt vermorzeld te worden onder het geweld van Duitse, Franse en Engelse concurrenten. In 1992 leidt dit tot een vermindering van het personeelsbestand met 2300 werknemers, waaronder – voor het eerst – gedwongen ontslagen. Opnieuw wordt er gezocht naar een fusiepartner. Die komt in 1999 tot stand met British Steel, waarmee de naam verandert in Corus.
Maar ook binnen Corus zijn er spanningen. Opnieuw blijkt het Nederlandse bedrijf veel geavanceerder dan zijn Engelse partner. Om de verouderde Britse ijzer- en staalbedrijven te redden, wil het door Engelsen gedomineerde Corus-bestuur de aluminiumtak verkopen. Maar daar steekt de ondernemingsraad van Corus IJmuiden een stokje voor. Pas met de komst van de Fransman Philippe Varin in de top van Corus ontstaat er rust.
Op 17 april 2000 neemt Corus IJmuiden de Direct Sheet Plant in gebruik. Deze gloednieuwe gietwalsinstallatie biedt door zijn revolutionaire technologie nieuwe mogelijkheden voor de productie van dun materiaal.
Op 2 april 2007 gaat Corus Group op in Tata Steel uit India. De combinatie is in omvang de zesde staalproducent ter wereld.
De jongste technologische verworvenheid is de twee maanden geleden in gebruik gestelde koudbandwals. Koningen Beatrix stelde deze op 30 september in gebruik. 


Ingenieurscultuur
In 1924, zes jaar na de oprichting en bij de start van de productie, komt de leiding van Hoogovens in handen van twee jonge ingenieurs: de veertigjarige Geldolph Kessler en de 36-jarige Arnold Ingen Housz. De Raad van Commissarissen benoemt Kessler tot directievoorzitter, Ingen Housz tot directeur.
Kessler, sinds 1917 in dienst, ontplooit zich als de leider die Hoogovens door de moeilijke beginperiode en de crisis rond 1930 loodst. Zijn belangstelling gaat vooral uit naar economische en commerciële zaken, maar ook op het sociale beleid van de onderneming drukt hij zijn stempel. Hij overlijdt plotseling in 1945, als, na de stilstand in de oorlog, de wederopbouw van het bedrijf begint.
Ir. Arnold Ingen Housz, in 1920 in dienst getreden, is grondlegger van de ingenieurscultuur bij Hoogovens. In de vooroorlogse periode is Ingen Housz verantwoordelijk voor de technische ontwikkeling binnen het bedrijf. Hij geeft leiding aan de groei van het hoogovenbedrijf en de bijproducten, maar vooral aan de oprichting van de staalfabrieken en walserijen. Na zijn benoeming tot directievoorzitter in augustus 1945 onderscheidt hij zich ook door zijn christelijk-sociale beleid. Hoogovens geldt als een mini-verzorgingsstaat, met onder andere eigen huisvesting voor werknemers.
Ingen Housz blijft in die functie aan tot december 1958, daarna als voorzitter van de Raad van Commissarissen (tot 1962) en vervolgens nog korte tijd als commissaris. Hij overlijdt in 1983.

Deel deze pagina
Gratis proefabonnement TW

Bestel nu GRATIS 2 proefnummers TW

Ontvang de nieuwsbrief

Meld je nu aan!

Vision & Robotics

Vision & Robotics is hét onafhankelijke vakblad voor machinebouwers, system integrators en eindgebruikers van productielijnen in de maak- en agro-/foodindustrie. 

Graag meer lezen over onderwerpen zoals robotica, sensoren, kunstmatige intellegentie en nog veel meer klik hier

Vision & Robotics heeft ook een nieuwsbrief! klik hier om je in te schrijven.

TW online gratis voor jongeren

TW Investeert in technisch onderwijs

Leerlingen tot 18 jaar lezen gratis TW. Meld je aan en ontvang 24 online edities per jaar geheel gratis!

Naar boven