De onbekende ingenieur | Technisch Weekblad
Nieuws

De onbekende ingenieur

Door een zekere introvertheid en de neiging zich aan het maatschappelijk debat te ontrekken, blijven ingenieurs, ondanks hun prestaties, onbekend. Een voorpublicatie uit het boek ‘Techniek: een machtige knecht’.

Ingenieurs behoren tot de stille krachten van Nederland. Het grote publiek weet niet wie de ontwerpers zijn van in het oog springende civiele werken, of van succesvolle exportproducten waarmee we op de wereldmarkten onze welvaart verdienen. Wie is de geestelijk vader van het Deltaplan, wie de bouwer van de Oosterscheldedam, wie de ontwerper van de Fokker 100, van de waferstepper van ASM Lithography, en van de hoogrendement cv-ketel die in ruim twee miljoen Nederlandse woningen staat? Het zijn respectievelijk ir. Johan van Veen, ir. Frank Spaargaren, ing. Rudi den Hertog, ir. Steef Wittekoek, en ing. Pierre Bartholomeus. Voor de massa zijn zij onzichtbaar terwijl het de helden van deze tijd zouden moeten zijn.

Ingenieurs zijn toegewijd aan het oplossen van problemen en het creëren van bruikbare en efficiënte dingen. Zou de wereld ze daarom niet moeten bewonderen en respecteren, vraagt de inmiddels 74-jarige astronaut en ingenieur Neil Armstrong, in 1969 de eerste mens op de maan, zich af (tijdens een bijeenkomst begin 2000 van de Amerikaanse National Academy of Engineering). Dat gebeurt alleen incidenteel, stelt Armstrong vast.

‘Veel burgers staan wantrouwig tegenover logica en zijn kritisch over technocraten. Vaak niet zonder reden. Bruggen storten in, vliegtuigen vallen uit de lucht, opslagtanks lekken, straling ontsnapt en auto’s worden terug naar de garage geroepen.

Deze zaken gaan gepaard met veel publiciteit en er wordt een schuldige gezocht.’

‘Maar je stuit dan op een aantal problemen. Ingenieurs zijn niet de beste communicators. Wij worden gewantrouwd omdat we worden gezien als verslaafd aan techniek, als technocraten die niets om het milieu geven, of zich niet bekommeren om de menselijke veiligheid. Ik verwerp die kritiek. Ik weet dat ingenieurs geen slechte mensen zijn. Iets teveel gefocust op techniek, maar ze zijn net zo zorgzaam en bezorgd als anderen. Het feit dat hun falen zo uitgebreid wordt beschreven, is ook een teken dat die ongevallen relatief zelden voorkomen’, aldus Armstrong.

 

Introverter

Het is inderdaad een bepaald type mens dat voor techniek kiest, schrijft techniek-historicus Harry Lintsen in zijn boek ‘Ingenieur van beroep’ (1985).

‘Ingenieurs zijn sterk georiënteerd op techniek en op geld verdienen. Ze zijn goed in wisen natuurkunde, maar hebben vergeleken met andere studenten minder belangstelling voor literatuur, talen, geschiedenis, filosofie en sociale wetenschappen, en besteden minder tijd aan sociale en politieke activiteiten. Ook zouden ze minder gericht zijn op mensen en introverter, emotioneel geremder en verbaal minder ontwikkeld zijn.’

‘Ingenieurs zijn primair geboeid door materie en machines, kosten en baten, productie en organisatie. Daarna volgt hun interesse in mensen en maatschappelijke verhoudingen, normen en waarden, zingeving en bestaan. In de ogen van ingenieurs wordt de ontwikkeling van de techniek gekenmerkt door rationaliteit, maximalisatie van het geldelijk nut, constante vernieuwing, en toenemende beheersing van mens en natuur. Zij zien dat als in zichzelf goed. Deze vooruitgang is voor de maatschappij een grote verworvenheid en verlost haar van veel problemen.’

De gemiddelde Nederlander waardeert de ongeveer 300.000 ingenieurs in ons land voor het vermogen van deze ‘knappe koppen’ om voor allerlei problemen een technische oplossing te bedenken en te realiseren. ‘Daar vinden ze wel wat op’, luidt de volkswijsheid.

 

Jantje van Leiden

Ingenieurs zijn precieze mensen. Tijdens hun opleiding leren ze zich te beperken tot de meetbare feiten. Dat leidt er toe dat zij zich van alfa’s en gamma’s onderscheiden door hun nauwkeurige manier van werken. Wordt er in andere disciplines nog wel eens een slag naar geslagen, in de techniek kan dat niet. Wie een constructie ontwerpt waar de veiligheid van anderen vanaf hangt, of waar het goed functioneren van derden mee is gemoeid, kan zich daar niet met een Jantje van Leiden van af maken. Dat moet nauwkeurig en verantwoord gebeuren. De ingenieur is een pietje precies, en dat is maar goed ook.

Dat ingenieurs onbekend zijn betekent niet dat het om onzekere nagelbijters gaat. Ingenieurs zijn zich bewust van hun kennis en zijn daar ook trots op. Ze denken: ‘wij zijn de vormgevers van Nederland, ook al krijgen we daarvoor niet de eer die we verdienen’.

Maar er is – Armstrong en Lintsen wezen daar ook al met zoveel woorden op – ook een andere kant aan de ingenieurspsyche. Dat betreft bijvoorbeeld de soms beperkte communicatieve eigenschappen van ingenieurs. Het beeld in de populaire media is dat van een wereldvreemde hark in een witte jas, of een acryl trui. ‘Maatschappelijk naïef’, noemt de Amerikaanse schrijver, filosoof en bouwkundig ingenieur Samuel Florman hen in zijn boek The existential pleasures of engineering (1976).

De ontwikkeling van techniek wordt niet alleen door rationaliteit, maar ook door macht en politiek bepaald. Ingenieurs worden daar in hun opleiding onvoldoende op gewezen. Het zorgt vaak voor onbegrip als ze daar bij het binnenstappen van het bedrijfsleven mee worden geconfronteerd.

In zijn boek Management Development beschrijft arbeidsen organisatiepsycholoog Pim Paffen, gepromoveerd op ‘Careers of engineers in general management’, de gebrekkige leiderschapskwaliteiten van ingenieurs. Zij missen communicatieve vaardigheden en mentale flexibiliteit, aldus Paffen. Hun focus op materie en hun neiging de menselijke factor in de technologie te onderschatten, maakt dat ingenieurs hun werk moeilijk in een groter verband kunnen plaatsen. Vraag ze naar de maatschappelijke betekenis van hun werk, en alleen na veel gepeins zijn ze in staat daar een summiere schets van te geven. Met het klimmen der jaren denken ze echter meer na over deze aspecten van hun werk.

 

Negen tot vijf

Uiteraard ligt het ook aan de ingenieurs zelf dat ze onzichtbaar zijn. Het zijn grijze muizen, geen mensen die snel de aandacht trekken. Ze hebben weinig babbels, zijn weinig extravert. Ze gaan netjes van negen tot vijf naar hun werk, ze kennen manieren, zorgen goed voor vrouw en kinderen, maar daarmee word je geen nationale bekendheid.

Dit zijn algemene kenmerken van ingenieurs, en ze komen in alle gradaties voor. Uiteraard zijn er ingenieurs die extravert en verbaal goed ontwikkeld zijn, en die niet primair geboeid worden door materie en machines. Maar zij bepalen niet het beeld van de ingenieur.

Eigenschappen als een zekere introvertheid en de neiging zich aan het maatschappelijk debat te ontrekken, en de manier waarop de maatschappij tegenover techniek staat, zorgt ervoor dat ingenieurs ondanks hun prestaties onbekend blijven.

De onbekendheid van ingenieurs viel schrijver en filmer Fred Dijs weer eens op (Technisch Weekblad, 10-3-1999) in het Time-boek ‘100 Leaders & Revo lutionaries, Artists & Entertainers, The most Influential People of the 20th Century’. Dijs: ‘Een boek dus over de eeuw waarin penicilline, atoombom, radio, televisie en computer zijn ontwikkeld. Er komt geen ingenieur in voor. Dat terwijl Time deze eeuw vergelijkt met de vijftiende, de eeuw van de drukpers van Gutenberg, het zonnestelsel van Copernicus en de ontdekkingsreizen van Columbus. Met een beetje goede wil zijn dat ingenieurs te noemen. Zou de Time-redactie van de geschiedenis hebben geleerd, dan zou zij ook in deze eeuw naar zulke mensen hebben gezocht.’

 

Dit is een ingekorte versie van het hoofdstuk ‘De onbekende ingenieur uit Techniek: een machtige knecht’, door Henk Tolsma.

ISBN: 9076988854