De transformatie van ECN | Technisch Weekblad
Nieuws

De transformatie van ECN

Vorige week stond in Technisch Weekblad de periode 1955-1975 centraal in de geschiedenis van vijftig jaar ECN. In het tweede deel de laatste dertig jaar: de nieuwe, niet-nucleaire energietechnologieën de business units,de splitsing tussen ECN en NRG en de ambities voor de toekomst.

Ze zullen het zich in Damascus of Jeruzalem niet bewust zijn maar eigenlijk heeft de oorlog tussen Israël en zijn Arabische buurlanden in oktober 1973 geleid tot het Energie-onderzoek Centrum Nederland. Immers, deze oorlog leidde tot een Arabische olieboycot van Nederland en de Verenigde Staten. Ruud Lubbers, destijds minister van Economische Zaken (en vanaf 1 juni de nieuwe voorzitter van de raad van toezicht van ECN), kwam in 1974 met zijn Energienota waarin hij zich uitsprak voor diversificatie van de energievoorziening. Er moesten nieuwe energiebronnen komen die ons land minder afhankelijk zouden maken van aardolie uit het Midden-Oosten. En zo werd RCN in 1976 omgedoopt in ECN. Wat ook meespeelde was dat in de jaren zeventig kernenergie niet langer werd gezien als dè oplossing voor alle energieproblemen.

 

Supergeleiding

Iemand die zich de geboorte van ECN nog goed kan herinneren, is de huidige adjunct-directeur dr. Kees van der Klein. Hij kwam in 1974 in dienst van RCN nadat hij in 1969 al regelmatig in Petten was geweest voor zijn afstudeer en promotieonderzoek natuurkunde aan de Rijksuniversiteit Leiden.

‘Ik deed destijds onderzoek naar supergeleiding en had daarvoor bestraalde preparaten nodig. Afgezien van de nucleaire activiteiten heb ik bij ECN wel zo’n beetje op alle afdelingen gewerkt.’ Hij begon zijn loopbaan met onderzoek naar nieuwe energietoepassingen van supergeleiding, waaronder supergeleidende magneten voor kernfusie. Rond 1979 raakte hij betrokken bij het nationale onderzoeksprogramma Kolen en in 1984 werd hij hoofd van het Programmabureau van ECN, verantwoordelijk voor strategieontwikkeling en commerciële activiteiten. Vervolgens hield hij zich enige jaren bezig met stromingsenergie en verbrandingsprocessen om in 1990 manager te worden van de nieuwe businessunit fossiele brandstoffen, het huidige Schoon Fossiel. Sinds 2003 is Van der Klein adjunct-directeur

Vanaf 1976 heeft Van der Klein ECN steeds meer zien veranderen van een nucleair instituut in een organisatie voor duurzame energie, energie-efficiëntie en schonere fossiele brandstoffen. De eerste ‘nieuwe’ werkterreinen waren in de jaren zeventig windenergie en kolen. De keuze voor windturbines was duidelijk, gezien de roep om wat destijds nog alternatieve energie heette. Minder logisch lijkt het gebruik van steenkool vanwege de schadelijke emissies van CO2 , NOx en S02 .

Van der Klein: ‘Toch was dat destijds heel logisch. Milieuaspecten speelden nog niet zo’n hoofdrol en steenkool paste uitstekend in het diversificatiemodel van de overheid. Met de enorme voorraden in de wereld zou Nederland een stevige energiedrager in huis halen.’ ECN richtte zijn onderzoek destijds vooral op decentrale systemen en kolenvergassing. Van der Klein: ‘Het is aardig om te zien dat uit onderzoek naar kolenvergassing later het biomassaprogramma is voortgekomen.’

 

Keramiek

Er kwamen overigens in de jaren tachtig en negentig tal van nieuwe onderzoeksterreinen bij. Voortbouwend op de materiaalkennis uit de RCN-periode, startte ECN rond 1985 het keramiekonderzoek dat tevens de basis vormde voor het brandstofcelprogramma. Bij het membraanonderzoek kreeg ECN Hoogovens als industriële partner. Eind jaren tachtig ging onder leiding van Wim Sinke het zonnecelonderzoek van start. De komst van wijlen prof.dr.ir Harry van den Kroonenberg als nieuw directeur in 1989 betekende een enorme verandering voor de organisatie. Van der Klein: ‘ECN werd tot het begin van de jaren tachtig geheel door de overheid gefinancierd. Na 1985 kwam daar verandering in toen de grote technologische instituten een deel van hun inkomsten uit contractresearch moesten halen. Van den Kroonenberg was daarvoor de perfecte man. Hij had als rector magnificus van de UT naam gemaakt met de ondernemende universiteit. Van den Kroonenberg stelde de businessunits in die als een commercieel bedrijf elk jaar een bepaalde omzet moesten halen met opdrachten voor bedrijven en andere externe partijen.’

‘Die nieuwe structuur verg de een behoorlijke aanpassing van de medewerker maar ik durf te zeggen dat vrijwel alle eenheden succesvol zijn’, aldus Van der Klein. ECN telt nu acht business units: Energie-Effiency in de Industrie, Duurzame Energie in de Gebouwde Omgeving (DEGO), Zonne-energie, Windenergie, Biomassa, Schoon Fossiel, Brandstofceltechnologie en Beleidsstudies.

Ook prof. dr. Frans Saris, tegenwoordig decaan van de faculteit Wiskunde en Natuurwetenschappen in Leiden, denkt dat Van den Kroonenberg een belangrijke rol heeft gespeeld in de transformatie van ECN. ‘Na tien jaar Amolf in Amsterdam kwam ik in 1996 als adjunct-directeur naar Petten. Ik vond Van den Kroonenberg een inspirerende man en wilde een flink aantal jaren met hem samenwerken. Met name om de verduurzaming van het energieonderzoek en nieuwe bedrijvigheid in gang te zetten. Van dat eerste kwam weinig omdat Van den Kroonenberg in augustus 1996 overleed.’

Terugkijkend op zijn periode bij ECN meent Saris dat hij wel wat heeft bereikt. ‘Er zijn allerlei nieuwe onderzoeksprojecten gestart op het gebied van duurzame energie.’ Dat had volgens hem ook te maken met het gunstige politieke klimaat. Met name bij minister Wijers van EZ vond Saris een gewillig oor. Maar de oud-directeur maakte ook de zwartste bladzijde uit vijftig jaar ECN mee. Dat was in 2001 en 2002 het hoogoplopend conflict met het personeel van de HFR en de top van NRG die in 1998 als zelfstandige dochteronderneming was ontstaan. Dat leidde tot de tijdelijke sluiting van de onderzoeksreactor en het ontslag van NRG-directeur ir. André Versteegh, die overigens inmiddels weer in functie is. Maar uiteindelijk was het Saris die in 2002 besloot te vertrekken. ‘Ik constateerde na mijn aanstelling dat de veiligheidscultuur bij de nucleaire  activiteiten niet deugde. Samen met de leidinggevenden hebben we toen een verbeterplan opgesteld, maar ik heb moeten constateren dat er in al die jaren niets is veranderd en dat men qua veiligheid nog steeds onder de maat werkt. De recente veroordeling is daar een goed voorbeeld van. Ik was blijkbaar niet de juiste persoon om die situatie te veranderen.’

Ondanks deze harde confrontatie ziet Saris niet om in wrok. ‘Ik heb nog steeds contact met mensen als Wim Sinke. Ook zijn er diverse wetenschappelijke contacten tussen de Universiteit Leiden en ECN. Ik denk trouwens dat ECN zeer goed is toegerust voor de toekomst. Als één van de weinige Nederlandse onderzoeksinstituten heeft het een duidelijk missie, de verduurzaming van de energievoorziening. Dat word nog eens bevestigd door het rapport van de commissie Wijffels uit 2004.’

Ook Van der Klein kijkt met weinig plezier terug op het conflict. ‘Het was een periode die ik het liefst zo snel mogelijk vergeet. De interne verhoudingen stonden onder druk maar gelukkig zijn die inmiddels weer flink verbeterd.’

 

Duurzame energie

En dat is volgens hem ook nodig want NRG en ECN hebben behoefte aan rust en stabiliteit. ‘We hebben met het Strategisch Business Plan uit 2003 een duidelijke lijn ingezet: de transformatie naar een duurzame energievoorziening. ECN wil zich meer presenteren als een energie-instituut dat op sommige onderdelen internationaal toonaangevend is, zoals winden zonne-energie en de afvangst van CO2 . Verder voeren we een groot waterstofprogramma uit voor het Global Climate and Energy Project van Stanford University. Daarnaast willen we meer samenwerken met buitenlandse instituten als Jülich en het Institut für Solarenergie in Duitsland, Risø (Denemarken), PSI (Zwitserland) en VTT in Finland. Want er blijft nog genoeg te doen in energieonderzoek de komende vijftig jaar’, aldus Van der Klein.