Nieuws

Genetische doping langzaam dichterbij

Alle dopingschandalen ten spijt lijkt het uitgesloten dat renners in de huidige Tour de France al genetische doping gebruiken. De nieuwste vorm van prestatiebevorderende middelen blijft nog wel zo’n vijf jaar buiten de sportwereld. ‘We weten dat sporters wel eens rare dingen doen, maar zo gek is niemand.’

De opschudding was groot. In de rechtzaak tegen de Duitse ex-atletiektrainer Thomas Springstein, begin dit jaar, dook een e-mail op waarin hij de Nederlandse sportarts Berend Nikkels vroeg naar het middel repoxygen. Repoxygen is een vorm van gentherapie, die de natuurlijke productie van erythropoëtine (EPO) in het lichaam bevordert. Het nieuws sloeg in de aanloop naar de Olympische Spelen in Turijn in als een bom. Zou gentherapie, in de medische wereld veelal nog in de preklinische fase, in de sport al realiteit zijn?

 

Drs. Olivier de Hon, wetenschappelijk beleidsmedewerker van het Nederlands Centrum voor Dopingvraagstukken (NeCeDo), erkent dat ook hij twijfelde. ‘Wij hebben het verhaal in samenspraak met onze Duitse collega’s nagetrokken, maar het blijkt helemaal niet om daadwerkelijke handel te gaan. Springstein uit in de mail alleen maar zijn interesse in het middel en vraagt hoe hij het kan verkrijgen.’

Het zou voor het NeCeDo, sinds juli 2006 opgenomen in de nieuw gevormde Dopingautoriteit, een grote verrassing zijn geweest als genetische doping daadwerkelijk al tot in de sportwereld was doorgedrongen. Prof. dr. Hidde Haisma, hoogleraar therapeutische genmodulatie in Groningen, maakte in opdracht van staatssecretaris Ross-van Dorp, een inventarisatie van de mogelijke toepassingen en gevaren van genetische doping. Hij concludeerde in 2004 dat de techniek waarschijnlijk binnen vijf jaar zijn intrede in de sport zou doen.

 

‘Omdat de gentherapie niet echt een vlucht heeft genomen, lijkt vijf jaar in 2006 nog altijd een goeie gok’, stelt De Hon van NeDeCo.

De dopingdeskundige wijst op onvoorziene resultaten uit medische proeven op mensen en dieren. Zo werden in een klinische test tien jongeren met gentherapie voor een immuunziekte behandeld. Zeven van de patiënten genazen, de drie anderen kregen leukemie. Ook repoxygen geeft nog niet de gecontroleerde reacties, waar producent Oxford BioMedica naar streeft. In een dierproef met het middel ontwikkelden apen een auto-immuunreactie, waarbij ze hun eigen EPO afbraken. (Dit is niet iets specifieks van repoxygen, maar een risico bij alle EPO-gerelateerde medicijnen.) Daardoor werd de hematocrietwaarde van de dieren gevaarlijk laag. Eenzelfde reactie is ook waargenomen bij nierpatiënten die EPO krijgen toegediend.

 

Het gevaar van genetische doping zit hem niet zozeer in de techniek van gentherapie. Het overbrengen van genen naar de lichaamscellen kan relatief veilig gebeuren. ‘Het gevaarlijkst zijn de effecten van het gen dat wordt ingebracht’, aldus De Hon.

Hidde Haisma, die ook voorzitter is van de Nederlandse Vereniging Gentherapie (NVGT), valt hem bij. ‘Het is vooral moeilijk de middelen te doseren en als een gen éénmaal is ingebouwd, is het moeilijk uit te zetten.’

De hoogleraar is wel positief over de mogelijkheden van gentherapie. ‘De techniek vordert gestaag. Ik verwacht dat gentechnologie de komende tijd bij verschillende ziektes een oplossing biedt. Vooral het ontwikkelen van manieren om het gen op een effectieve manier in de cel te krijgen, gaat snel. En met die ontwikkelingen komt ook de mogelijke toepassing in de sport stapje voor stapje dichterbij.’

Het Wereldantidopingagentschap WADA is al druk in voorbereiding op de strijd tegen de nieuwe doping. De organisatie heeft genetische doping sinds 2004 in de lijst van verboden middelen opgenomen en steekt veel geld in onderzoek naar mogelijke detectiemethoden. Het verbod op genetische doping stamt al uit 2003 (toen nog onder verantwoordelijkheid van het IOC).

 

Het probleem voor WADA, en de hoop voor de frauderende sporter, is dat genetische doping uiterst moeilijk is aan te tonen. Om het gebruik rechtstreeks te bewijzen, is een weefselmonster nodig van de plek waar nieuwe genen in de celkernen zijn opgenomen.

‘Je kunt je voorstellen dat het afnemen van bijvoorbeeld spierweefsel bij sporters ondoenlijk is. We moeten dus op zoek naar geschikte markers om genetische doping indirect in het bloed of de urine aan te tonen’, zegt Haisma. Het lastige daarbij is dat het eiwit dat ontstaat door genoverdracht, vaak hetzelfde is als het lichaamseigen eiwit. Malversaties zijn bij verschillende genetische doping alleen vast te stellen door de eiwitniveaus van een sporter over een langere periode te volgen. ‘Een flink karwei’ aldus Haisma.

In het rapport van 2004 adviseerde het NeCeDo de farmaceutische industrie een gedragscode op te stellen, waarin staat dat genetische doping niet geproduceerd of verkocht mag worden. ‘Zo’n gedragscode is er nog niet, maar ik weet ook niet of die zou helpen’, stelt Haisma.

Om genetische doping in de sportwereld te krijgen, is namelijk niet meer nodig dan een prestatiebeluste sporter en een labmedewerker met dollartekens in de ogen. Voorlopig lijkt het echter zelfs daar nog te vroeg voor. Mensen als Thomas Springstein worden meer geleid door hoop dan door enige kennis van zaken. De Hon: ‘We weten dat sporters wel eens rare dingen doen, maar zo gek om nu al aan de genetische doping te beginnen is niemand.’

 

Gentherapie: Van ziekenhuis tot sintelbaan

Het idee voor genetische doping komt voort uit ontwikkelingen in de medische wereld. Met gentherapie is het mogelijk bepaalde genen in het lichaam van een patiënt tot uitdrukking te brengen. Als die genen coderen voor een functie die sportprestaties bevordert, is genetische doping geboren.

Er zijn verschillende technieken om het genetisch materiaal in werkende vorm in de lichaamscellen te krijgen. Voor genetische doping lijkt het inspuiten van ‘kaal’ DNA de beste optie. In dit geval moet het middel direct in het te behandelen weefsel, bijvoorbeeld de spieren, worden gespoten. ‘Er blijft dan enkele weken activiteit. Het DNA integreert niet met de chromosomen in de celkern’, legt prof. Haisma uit.

Ook is het mogelijk het DNA te verpakken in een virusdeeltje en in de bloedbaan te spuiten. Het virus, ontdaan van zijn pathogene eigenschappen, vindt de weg naar bepaalde organen in het lichaam en bezorgt daar zijn genetisch pakketje in de celkern. Deze genoverdracht is veel effectiever en sommige virussen bouwen het genetisch materiaal zelfs permanent in de menselijke chromosomen in.

In de praktijk zijn een aantal voorbeelden te noemen van mogelijke genetische sportdoping. IGF1 bijvoorbeeld is een groeifactor, die voor extra spiergroei kan zorgen. In Pensylvania injecteerden onderzoekers muizen met deze genen en inderdaad bleken de dieren krachtpatsers te zijn. Een Zuid-Koreaans team maakte met de hulp van PPAR-genen zogenaamde ‘marathon mice’, muizen die twee keer zo ver kunnen rennen als hun soortgenoten. Het onderzoek zelf is uitgevoerd op de La Jolla Universiteit in Califormië. En dan is er nog repoxygen, een middel dat de natuurlijke productie van EPO, vooral bekend uit de wielerwereld, stimuleert.

Voorlopig is de techniek echter nog niet volwassen en zijn de middelen niet zonder gevaar. De bovengenoemde middelen zijn het stadium van de dierproeven nog niet voorbij.

Ontvang de nieuwsbrief, binnenkort 2 keer per week

Meld je nu aan!

Gratis proefabonnement TW

Bestel nu 2 gratis proefnummers TW