Nieuws

Hoe zuivere kennis nuttig werd

Nederlands grootste kennisinstituut viert op 25 april zijn 75-jarig bestaan.

Nederland anno 1932 was volop bezig een inhaalslag te maken in industrie en technologie. Hout, windmolens en turf waren de basiselementen die tot ver in de negentiende eeuw het economische leven in het lage land aan de zee hadden bepaald. Terwijl de omringende landen al lang op grote schaal ijzer, stoommachines en steenkool waren overgeschakeld en de industriële revolutie al was doorgevoerd.

Die industriële ontwikkeling in Frankrijk, Duitsland en Groot Brittannië droeg er ook toe bij dat de Eerste Wereldoorlog kon ontaarden in een vier jaar lange massale, bloedige en desastreuze uitputtingsslag. Nederland bleef weliswaar buiten het strijdtoneel maar de gevolgen van gesloten grenzen en de zeeblokkade deden zich voelen. Vooral in laatste fase van de oorlog leed Nederland onder tekorten aan grondstoffen en voedingsmiddelen. En om daar oplossingen voor te vinden nam de Koninklijke Akademie van Wetenschappen een initiatief. Want het was dringend nodig ‘alle kracht van wetenschap en ervaring waarover Nederland beschikt, te doen zoeken naar middelen en wegen om uit de weinig beschikbare grondstoffen en productiemiddelen een zo groot mogelijk nut te trekken’. Een commissie onder voorzitterschap van Nobelprijswinnaar prof.dr. H.A. Lorentz, nam deze taak op zich.

Op het punt van het stelselmatig benutten van natuurwetenschappelijke kennis voor maatschappelijke doelen liep ons land duidelijk achter.
Duitsland had al in 1871 de Kaiser Wilhelm Gesellschaft in het leven geroepen om natuurwetenschappelijke kennis toepasbaar te maken voor de industrie. Groot Brittannië richtte tijdens de Eerste Wereldoorlog het Department of Scientific and Industrial Research en de Research Associations op. Ook de Verenigde Staten zetten hun National Research Council op.

Nog voor de Commissie Lorentz goed en wel op gang was gekomen was de wereldoorlog afgelopen en voeren de schepen de zeehavens weer in en uit. De noodzaak was weg en zijn commissie boekte nauwelijks resultaat. TNO-man Gerard van de Schootbrugge vat het samen: ‘De academische wereld bleek toch niet erg geëquipeerd problemen aan te pakken waar je vieze handen van krijgt.’

Toch had het idee postgevat dat het nuttig maken van kennis, van ‘zuivere wetenschap’, niet alleen een zaak was voor enkele grote bedrijven met eigen laboratoria (zoals het al bestaande Philips Natlab en het BPM-lab in Amsterdam, van de Bataafsche Petroleum Maatschappij/Shell). Mede door de publieke bemoeienis van enkele hoogleraren van de TH in Delft groeide het besef dat Nederland behoefte had aan een organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek ‘ten dienste van het algemeen belang’.
In 1924 benoemde de regering een commissie onder voorzitterschap van prof.dr. F. Went die de basis legde voor de wet op het toegepast- natuurwetenschappelijk onderzoek, die op 30 oktober 1930 werd aangenomen en in 1932 in werking trad. TNO was geboren.

‘Het was dus geen overheidsorganisatie’, beklemtoont Van de Schootbrugge. ‘Het idee was: de overheid moet faciliteren, maar om goed te kunnen samenwerken met de bedrijven moet TNO een zelfstandig instituut zijn. Dus niet een club die door ambtenaren wordt aangestuurd.’ Die constructie maakte het niet altijd even makkelijk om bestaande overheidsinstituten onder de nieuwe TNO-structuur onder te brengen zoals door de Commissie Went was voorgesteld. Die overheidsinstituten werden in die tijd aangeduid als nijverheidslaboratoria en er waren er heel wat. Uiteindelijk kregen de meeste in de oorlogsperiode een plaats binnen TNO en zo ontstonden TNO-instituten voor allerlei sectoren: de leerindustrie, rubber, metaal, de wasserijen, de grafische industrie, verpakkingen, scheepsbouw, hout, aardappelverwerking, de bouw en voor ‘brouwgerst, mout en bier’.

‘Het overhevelen van al die nijverheidslaboratoria stuitte op bezwaren want de mensen die er werkten waren ambtenaren die wilden vasthouden aan hun rechtspositie’, vertelt Van de Schootbrugge. ‘En met een paar grote R&D-labs die ook op het lijstje van Went stonden, zoals het Waterloopkundig Laboratorium, het Nationaal Luchtvaart Laboratorium en het Laboratorium voor Grondmechanica, kwam men niet verder dan een weliswaar gemeende maar niet zeer verplichtende samenwerkingsrelatie. Bij de ministeries in Den Haag zei men: die zijn zo belangrijk, die gaan we niet overhevelen. Die ministeries wilden hun invloed niet prijsgeven.’

Een andere zwaarwegende bijkomstigheid in die beginjaren was de nasleep van de economische crisis die in het Nederland onder Colijn lang voortsleepte. De overheid voerde een streng bezuinigingsbeleid. Pas in de Tweede Wereldoorlog kon de basisfilosofie van TNO in een stroomversnelling terecht komen. ‘Nederland kreeg in zekere zin weer te maken met dezelfde schaarsteproblemen die ook in 1914-1918 speelden. En onder die druk lukte wel een flink aantal instellingen van de lijst van Went in de nieuwe TNO-organisatie onder te brengen. TNO kreeg de kans een prominente rol te spelen onder meer bij het zoeken naar middelen om de dreigende voedselschaarste te bestrijden’, aldus Van de Schootbrugge.

Onderzoekers kregen te maken met ‘typische TNO-problemen’,zoals het zoeken naar vervangende chemische oplosmiddelen voor de drukkerijsector, of een betere manier om gras te drogen. ‘Bovendien was er een zeer grote bereidheid van andere laboratoria, zoals dat van BPM/Shell – er was toch geen olieactiviteit meer - om voor TNO onderzoek te doen. Men ging aan de slag in het TNO Urgentieprogramma en kon zo voorkomen dat men voor tewerkstelling naar Duitsland gestuurd zou worden.

De relatief grote vrijheid van opereren die de organisatie daarbij kreeg, was volgens de TNO-er te danken aan het gegeven dat de Duitse bezetters weinig begrepen van de positie van TNO. Het was geen overheid en geen private onderneming, maar iets er tussenin.

‘De Tweede Wereldoorlog was echt een geweldige boost voor ons’, stelt Van de Schootbrugge. ‘Toen is TNO echt op de kaart gezet. En direct na de bevrijding was er het besef dat de oorlog gewonnen was door technologisch vernuft. Niet alleen de atoombom en radar, maar ook door betere logistiek, betere verpakkingstechnologie. Die zaken maakten een geweldige indruk. En de verwachtingen van de positieve invloed van wetenschap en techniek waren hoog gespannen’

Een voorbeeld van de dynamiek in die periode was het stralingsonderzoek binnen de militaire poot van TNO. Daar bestudeerde men de schade die de kernbommen in Japan hadden aangericht bij mensen, hoe straling het beenmerg aantastte en kon leiden tot leukemie. Inzicht was belangrijk vanwege de dreiging van een kernoorlog en vanwege de ontwikkeling van kerncentrales, waarbij zich soms ongelukken voordeden.

Dat pionierswerk leidde uiteindelijk tot de oprichting van het Radiobiologisch Instituut TNO, waar de nadruk veel meer kwam te liggen op de effecten van straling als therapie voor kankerpatiënten. Het instituut heeft samen met het Academisch Ziekenhuis van de Leidse universiteit een pioniersrol gespeeld bij de ontwikkeling van de beenmergtransplantatie.

De jaren vijftig en zestig vormden een periode van flinke groei voor TNO. Nederland industrialiseerde volop, de economie groeide en het aardgas bracht veel extra geld binnen. In de jaren zeventig telde de hele organisatie, opgedeeld in vier pijlers Nijverheid, Defensie, Gezondheid en Voeding, zo’n vijfduizend medewerkers.

Maar in de jaren zeventig ontstonden er barsten in het florissante economische beeld. De eerste oliecrises, de Club van Rome en de snelle opkomst van de industriële grootmacht Japan deden de stemming omslaan. In 1979 verscheen zelfs de eerste Innovatienota, waarin Economische Zaken en Wetenschapsbeleid heel duidelijk een beroep deden op TNO om oplossingen aan te dragen.

‘Er was een gevoel van urgentie, maar tegelijkertijd bleek dat onze organisatie te gefragmenteerd was en niet flexibel en slagvaardig genoeg om adequaat in te spelen op de snelle veranderingen die zich op een aantal vlakken voordeden. TNO moest dus op de schop en dat heeft in 1980-1981 geleid tot een heel nieuwe structuur. Geen autonomie meer voor de verschillende onderdelen. Het werd een veel homogenere club, aangestuurd vanuit één orgaan, de raad van bestuur’, zo stelt Van de Schootbrugge.

De markt is sindsdien bepalend. Het klantgerichte denken is drijfveer nummer één. De omslag was ook in de leiding van TNO te zien. Waar vroeger hoogleraren de dienst uitmaakten, verschenen er nu managers uit het bedrijfsleven aan de TNO-top, zoals in 1990 Frank Mathijsen Gerst van Hoogovens, in 1995 Jan Dekker van GTI en in 2003 Hans Huis in ’t Veld afkomstig van DHV.

Het belang van vraaggestuurd opereren heeft de commissie Wijffels in 2004 nog eens sterk benadrukt. Betrek de gebruiker in de kennisontwikkeling, zo luidde een van de adviezen. Onderzoek van TNO was nooit vrijblijvend. Altijd was er op de achtergrond een praktische vraag. In de komende jaren zal die praktische vraag niet langer op de achtergrond maar onmiskenbaar op de voorgrond staan.

Deel deze pagina

Maritiem Nederland

Maritiem Nederland is een magazine, website en nieuwsbrief met alle relevante en interessante ontwikkelingen binnen het maritieme cluster. Met interviews, opmerkelijke reportages, portretten en columns.
Meer informatie over Maritiem Nederland

Damen

Gratis proefabonnement TW

Bestel nu GRATIS 2 proefnummers TW

Ontvang de nieuwsbrief, binnenkort 2 keer per week!

Meld je nu aan!

Vision & Robotics

Vision & Robotics is hét onafhankelijke vakblad voor machinebouwers, system integrators en eindgebruikers van productielijnen in de maak- en agro-/foodindustrie. 

Graag meer lezen over onderwerpen zoals robotica, sensoren, kunstmatige intellegentie en nog veel meer klik hier

Vision & Robotics heeft ook een nieuwsbrief! klik hier om je in te schrijven.

TW online gratis voor jongeren

TW Investeert in technisch onderwijs

Leerlingen tot 18 jaar lezen gratis TW. Meld je aan en ontvang 23 online edities per jaar geheel gratis!

Naar boven