Ir. Frank Spaargaren (1940), hoofd bouwbureau Oosterscheldekering | Technisch Weekblad
Nieuws

Ir. Frank Spaargaren (1940), hoofd bouwbureau Oosterscheldekering

Frank Spaargaren treedt in 1964 in dienst bij de studieafdeling van de Deltadienst Rijkswaterstaat. Deze afdeling bereidt alle proeven voor die in het Waterloopkundig Laboratorium worden uitgevoerd in verband met de Deltawerken. Dat betreft onder andere de afsluitingen van Grevelingen, Haringvliet en Oosterschelde.

Eind 1971 krijgt Spaargaren, dan 31 jaar oud, het verzoek leiding te geven aan de afsluiting van de Oosterschelde. Hij wordt Hoofd Dienst Uitvoering, verhuist naar Zeeland en krijgt de leiding over zo’n honderd mensen. Het plan is dan nog om een dichte dam te bouwen. Er zijn al hulpeilanden opgespoten die deel moeten uitmaken van de uiteindelijke dam. De torens voor de kabelbaan die hulpmaterialen moet aanvoeren, worden al ingeheid. Ook bewerkt men reeds de zeebodem voor het leggen van de dam.

Ondertussen komt de discussie op gang of het wel een dichte dam moet worden. Er zijn bijvoorbeeld veel protesten van vissers tegen deze oplossing, waar men tijdens de aanleg de handen  vol  aan  heeft.  Spaargaren krijgt ook de leiding over de studie naar en het ontwerp van een nieuwe kering. De Deltadienst voert dus een tweesporenbeleid:  enerzijds  werkt men aan de bouw van een dichte dam en ondertussen wordt ook bekeken of het anders kan. ‘Sommige ouderen hadden daar veel moeite mee’, aldus Spaargaren.

Hij neemt zelf geen standpunt in tussen beide kampen. ‘Voor een jonge ingenieur vormden beide projecten een enorme uitdaging. Ons probleem was: kan het, wat kost het en hoe lang gaat de uitvoering duren? De Zeeuwen was veiligheid beloofd binnen een bepaalde termijn en konden we dat nog waarmaken?’

 

Drempel

De conclusie van de studie luidt: een halfopen dam is mogelijk. ‘We waren nog aan het heien met de kabelbaan toen in 1974 het besluit uit Den Haag kwam: de Oosterscheldekering moet een halfopen dam worden. We stopten meteen en gingen aan de slag om de kabelbaan weer op te ruimen.’ Er is dan al een kleine tweehonderd miljoen gulden geïnvesteerd in de bouw van een dichte dam.

De ommezwaai heeft grote consequenties voor het personeel. ‘In de waterbouw speelt ervaring een enorme rol. Daarom werden in Zeeland eerst de kleine openingen afgesloten, om zodoende te leren voor het afsluiten van de grote gaten. Maar nu begonnen we aan een heel ander soort werk, meer op de theorie gestoeld en zonder dat er veel ervaring mee was.’ De oudere, in de praktijk gevormde waterbouwers moeten plaats maken voor meer theoretisch geschoolde jongeren. De gemiddelde leeftijd van het bouwteam daalt van ruim vijftig tot onder de veertig.

In 1976 begint de bouw van het nieuwe plan. De uitvoering verloopt al gauw anders dan eind 1974 op papier is gezet. Dat plan gaat uit van caissons die op een drempel in de Oosterschelde moeten worden geplaatst. In de caissons zijn schuiven opgenomen. Dit werkt echter niet, vanwege verzanding tijdens aanleg van de drempel. Deze moet beneden fijn grind bevatten en naar boven toe steeds grotere keien, helemaal bovenin wel een meter doorsnede. Bij de aanleg van de drempel spoelt echter zand tussen het grind en de keien, dat er na plaatsing van de caissons weer even hard uitspoelt. Daardoor kan geen stabiele drempel worden gebouwd.

Spaargaren: ‘Ik heb steeds mijn twijfels gehad over deze caisson-oplossing. We werkten er met zeshonderd man aan, maar na elke oplossing dook er een nieuw probleem op. Ik ben naar het hoofd van de Deltadienst gestapt en zei: dit wordt niks. We moeten een nieuwe oplossing bedenken. Maar de betonjongens waren het er niet mee eens. Op dat moment verkeerde het project in grote problemen.’

 

Pijlervoet

Na ampele overweging stapt men uiteindelijk over op een concept met pijlers. Om het probleem van de verzanding tegen te gaan, fundeert men de pijlers, met een grote voetplaat van 25 x 50 m, direct op een grindlaag. Deze grindlaag wordt in de vorm van funderingsmatten geprefabriceerd in een fa briek aan de wal. Onder elk van de 76 pijlers komt een mat van 200 m lang, 42 m breed en 36 cm dik. Elke mat bestaat uit een kunststof weefsel, waarbinnen een opbouw van beneden naar boven van fijn naar grof grind.

De matten worden opgerold op een drijvende haspel en naar de afzinkplek gesleept. Daar koppelt men de haspel aan een schip, waarna de matten worden afgerold. Ze moeten binnen een tolerantie van 10 cm vlak op de zeebodem liggen. Nadat de pijler op de mat is geplaatst, wordt de pijlervoet aangestort met zware stortsteen en de pijler zelf met zand gevuld, zodat de horizontale stabiliteit voldoende is verzekerd. Tenslotte worden de schuiven tussen de pijlers gehangen.

‘Het vinden van een betrouwbare oplossing voor de fundering was van cruciaal belang voor de hele uitvoering’, zegt Spaargaren. ‘Niet iedereen had er vertrouwen in, maar mijn baas van de Deltadienst in Den Haag wel. De hoofddirectie van Rijkswaterstaat had echter geen goed idee waar we mee bezig waren. In Den Haag was het voeren van beleid veel belangrijker dan de technische uitvoering.’

Het afbrokkelende aanzien van de techniek binnen Rijkswaterstaat zit Spaargaren tot op de dag van vandaag enorm dwars. Dat is, onder andere, de aanleiding om de overheidsdienst in 1979 te verlaten en bij Volker Stevin aan de slag te gaan. In latere jaren is hij nog voorzitter van de Raad van Bestuur van ingenieursbureau DHV en (interim) algemeen directeur van het Waterloopkundig Laboratorium.

Na voltooiing van de Oosterscheldekering in 1986 is er in de loop der jaren ook weer kritiek gekomen op deze dure oplossing. De halfopen Ooster scheldekering heeft drie à vier miljard gulden meer gekost dan de twee miljard gulden van de dichte dam. Spaargaren: ‘Met de huidige kennis zou je het inderdaad niet weer zo doen. Er is nu meer kennis van ecosystemen. Men dacht destijds dat het Grevelingenmeer achter de dichte Brouwersdam een stinkend gat zou worden. Dat is niet gebeurd, het is nu zelfs een beschermd natuurgebied.’