Toekomstige R&D stuit op grenzen van simulatie | Technisch Weekblad
Nieuws

Toekomstige R&D stuit op grenzen van simulatie

Informatie- en communicatietechnologie hebben het onderzoek veel efficiënter gemaakt. Maar het vormt slechts een noodzakelijke, geen voldoende voorwaarde voor succes met R&D.

Eindhoven – Het laboratorium van de toekomst is klein, digitaal, virtueel, en open. Onderzoekers zullen gebruik maken van de laatste technologie, en proeven worden meer dan voorheen ‘op afstand’ gedaan. Zo’n lab zal tevens de informele contacten tussen onderzoeker moeten stimuleren.

Deze stelling zette de toon voor een bijeenkomst van R&D-directeuren op de High Tech Campus in Eindhoven op 24 februari. De bijeenkomst was georganiseerd door ingenieursbureau DHV, dat namens Philips bouw en uitvoering van deze campus begeleidt. De campus zelf bewijst trouwens dat één van de uitgangspunten van de stelling – het lab van de toekomst is klein – niet altijd op gaat.

Er is in de R&D-wereld een sterke concentratie gaande op thema’s en geografische plaatsen. De Nederlandse voedingsmiddelenresearch concentreert zich in Wageningen, het elektronica-onderzoek in Leuven. Daar zijn sterke R&D-centra waar andere organisaties zich omheen groeperen. Er komen steeds meer van deze centra, waar verschillende partijen samen technologie ontwikkelen. In dit verband viel de term ‘netwerk-R&D’, een Silicon Valley-achtig bij elkaar kruipen van onderzoekers.

Van de geavanceerde technieken waar onderzoekers mee zullen werken staat de informatie- en communicatie-technologie voorop. Het goed benutten van de mogelijkheden die ict biedt, is één van de succesfactoren voor toekomstige R&D. Onderzoekers doen hun werk steeds meer achter de computer en steeds minder in het lab. Het maken van modellen en vooraf simuleren van proeven vermindert het aantal uit te voeren testen. De proef zelf zal daardoor efficiënter en effectiever zijn. Dat zal leiden tot een efficiënter gebruik van apparatuur.

Dat is ook hard nodig, want de kosten van laboratoriumapparaten rijzen de pan uit. Vandaar de experimenten van DSM, FEI Company en Corus met ‘collaborative research’, waarbij bedrijven op afstand gebruik maken van elkaars apparaten. Dat kan alleen door middel van breedbandverbindingen en informatietechnologie.

Simulatie zal overigens nooit volledig in de plaats komen van beproeven. Het fysieke experiment blijft de kern vormen van R&D. ‘Uiteindelijk zal er een labresultaat uit een chromatograaf moeten komen’, zoals één van de conferentie-deelnemers zei.

E-mail en web maken R&D ongelooflijk veel efficiënter, maar het is een noodzakelijke, niet een voldoende voorwaarde voor succes. Wil samenwerking met andere onderzoekers tot resultaten leiden, zeker met collega’s van partner-organisaties op andere locaties, dan moet men elkaar een keer in de ogen hebben gekeken. De belangrijkste dingen gebeuren nu eenmaal in de koffiehoek.

En de onderzoekers zelf, hoe ondergaan zij de veranderingen in hun omgeving? Het blijven zeer tevreden werknemers, die voor de inhoud van het werk kiezen en niet aan jobhopping doen. Ze willen een creatieve werkomgeving en zijn meer ingenomen met een budgetverhoging en een cursus dan met een persoonlijke financiële beloning (hoewel dit laatste door de aanwezige R&D-managers toch wel werd genuanceerd). Ze werken per week 46 uur op de zaak en zes uur thuis. Hun ziekteverzuim is extreem laag (bij een Nederlands bedrijf met een forse R&D-afdeling 1,8 procent).

Maar het liefst zouden ze alles bij het oude laten. Níks meer openheid en samenwerking met derden die je nog nooit hebt gezien. Onderzoekers hebben de naam van autisten, maar één van hun bazen brak een lans voor de autisten onder zijn onderzoekers: ‘Het zijn de besten die ik heb’.

Kortom, ze zitten het liefst met één of twee op een kamertje, denkend en experimenterend, lekker vertrouwd onder elkaar Zoals een R&D-directeur zei: ‘Pas vanuit deze zekerheid kunnen ze het onzekere werk aan’.

Ontvang de nieuwsbrief

Meld je nu aan!