Nieuws

Werkgevers willen soepele uitvoering Kaderrichtlijn Water

Het halen van de Europese Kaderrichtlijn Water kost de Nederlandse industrie tussen de 400 miljoen en de 1,3 miljard euro, zo becijferden Ecorys en Witteveen + Bos.

Met het aannemen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) is het getouwtrek rond de uitvoering ervan begonnen. Brussel heeft behoudens een aantal controlemomenten de verschillende lidstaten vrijgelaten de benodigde maatregelen uit te voeren. De discussie daarover is nu in Nederland in volle gang.

De KRW is een Europese wettelijke richtlijn voor de chemische en ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater. Om aan de eisen van de KRW te voldoen moeten de industrie en de waterzuiveringsinstallaties de hoeveelheid vervuilende stoffen in het effluent verder terugdringen. Daarnaast moeten enkele vervuilde waterlichamen worden gereinigd en bijvoorbeeld vispassages en natuurlijke oevers worden aangelegd; een taak voor de overheid. Het is vooralsnog de vraag welk ambitieniveau de Nederlandse overheid en industrie hebben om daadwerkelijk tot een betere waterkwaliteit te komen.

Werkgeversorganisatie VNO-NCW en belangenorganisatie VEMW starten met een nieuw rapport de discussie daarover. Ecorys en Witteveen + Bos onderzochten voor de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven hoeveel extra kosten de industrie moet maken om de Europese doelstellingen te halen. Op 30 maart reikten VNO-NCW en VEMW het rapport uit aan V&W-staatssecretaris Tineke Huizinga met daarbij enkele aanbevelingen.

Om al in 2015 aan de KRW te voldoen, bedragen de extra kosten voor de industrie 180 miljoen euro per jaar. Deze maatregelen komen bovenop de 350 miljoen euro aan ‘waterkosten’ die de industrie op dit moment al uitgeeft, aldus het rapport.

Vooral de voedingsmiddelenindustrie moet flink aan de bak. De sector dient vooral de stikstof- en fosfaatlozingen terug te dringen en betaalt de helft van de geraamde 180 miljoen. Andere grote betalers zijn de chemie, die een kwart van de totale kosten voor haar rekening moet nemen, en de olie-industrie, die uitkomt op tien procent.

De kostenberekening is gebaseerd op het plaatsen van extra zuiveringsinstallaties bij lozende bedrijven. De schrijvers van het rapport houden hierbij rekening met end-of-pipe installaties als membraanbioreactoren, biofiltratie of behandeling met uv-licht en waterstofperoxide.

VNO-NCW en VEMW pleiten echter voor een soepeler benadering van de KRW. Daarbij mag de lozing van nutriënten in minder kwetsbare wateren twee keer de norm zijn en is er een uitloopmogelijkheid tot 2021. In dat geval heeft de industrie jaarlijks een extra kostenpost van ‘slechts’ veertig miljoen euro.

Tot 2009 is over het te voeren beleid nog discussie mogelijk. Dan moet Nederland de normering en de bijbehorende maatregelen hebben vastgelegd. Brussel beoordeelt vervolgens de uitvoering. In 2015 moeten alle maatregelen zijn uitgevoerd, hoewel de KRW voorziet in een uitstelperiode tot 2021.

Voorlopig lijkt het er niet op dat Nederland het braafste jongetje van de klas wil zijn. In de Decembernota 2006 staat het besluit van het kabinet het verbeteren van de waterkwaliteit te faseren tot 2027. Zo kan de overheid de kosten spreiden en beperken, omdat er meer mogelijkheden zijn bepaalde maatregelen te combineren met andere ontwikkelingen in stad en land, aldus het kabinet.

De kosten voor de overheid, gegeven in de Decembernota, zijn dan nog altijd aanzienlijk. In totaal zijn de waterbeheerders 7,3 miljard euro extra kwijt. Daarvan nemen de waterschappen 4,5 miljard euro voor hun rekening. Rijkswaterstaat komt op 1,2 miljard, de provincies op 0,7 miljard en de gemeenten op 0,9 miljard extra kosten.