Opinie&Analyse

Eigen bouwers niet per se eerst

Benno Boeters |
Beleid & Bedrijfsvoering, Bouw & Civiele Techniek

‘Buitenlandse bouwers kapen grootste infraprojecten weg’, zo luidde de kop boven een online artikel van Cobouw, waarin het bouwvakblad de grote gunningen door ’s lands grootste opdrachtgever, Rijkswaterstaat, inventariseerde en analyseerde.

‘In 2016 gunde Rijkswaterstaat 53 grond-, weg- en waterbouwprojecten met een totale waarde van ruim € 897 miljoen. Ruim 42 % van de waarde daarvan kwam terecht bij vier buitenlandse aannemers’, zo is te lezen. De opmars van grote bouwbedrijven van over de grens, zoals Max Bögl (Duits), Züblin/Strabag (Duits/Oostenrijks), Besix (Belgisch) en Fluor (Amerikaans) is overduidelijk. Maar is dat erg?

‘Wegkapen’ suggereert dat dit niet zou mogen. Maar de aanbestedingen verlopen keurig volgens EU-regels, RWS kiest voor de beste aanbiedingen, of die nu uit binnen- of buitenland komen. Tegelijkertijd is het begrijpelijk dat Nederlandse aannemers bij de geldstroom de grens over aan de bel trekken. ‘Stop met het actief lekker maken van buitenlandse bouwers voor de Nederlandse weg- en waterbouwprojecten. Het is crisis, de concurrentie is al moordend genoeg’, zei Maxime Verhagen, voorzitter van Bouwend Nederland een paar jaar geleden in het FD. Dat klonk heel sterk als ‘eigen bouwers eerst’.

Wurgcontracten

Maar het waren ook harde tijden in 2015, toen de crisis nog voortwoedde. In een voorgaande periode bleek de combinatie van het laagste prijs-criterium van RWS, botte marktwerking en economische malaise desastreus voor sommige bouwbedrijven. De dramatische bijna-teloorgang van Ballast Nedam door ‘wurgcontracten’ met RWS voor het A15 Maasvlakte-Vaanplein-project en de A2 Maastricht, laat nog steeds diepe sporen na.

RWS wil nu met de Marktvisie – de slinger is naar de andere kant doorgeslagen – harmonieus samenwerken met bouwers en ingenieursbureaus en aanbestedingsprocedures rimpelloos laten verlopen. Concurreren op laagste prijs en juridisch getouwtrek over meerwerk moet verdwijnen. Samenwerking en kwaliteit moeten leidend worden. Maar in de praktijk blijkt de aanneemsom nog steeds doorslaggevend.

Alliantie met buitenlandse partij

Hoe erg is het dat het megaproject Zuidasdok, de tunnel voor een deel van de A10 en railverbindingen bij Amsterdam, is gegund aan de combinatie Heijmans, Fluor, Hochtief, in plaats van die andere – volledig Nederlandse – mededinger: BAM, VolkerWessels, TBI? Je kunt stellen dat de belastingbetaler beter uit is en dat scherpe concurrentie de bedrijven bij de les houdt. Trouwens, kijk eens naar de projectenlijst van BAM. Daarop komen projecten voor in onder meer Indonesië, de Golfstaten en Australië.

Cobouw geeft in de editie van 31 mei ook aan dat kleinere Nederlandse bouwers door aansluiting te zoeken bij buitenlandse bedrijven, in eigen land juist wél aan de bak komen.

De combinatie Herepoort pakt voor € 321 miljoen de Zuidelijke Ringweg in Groningen aan. Max Bögl en Züblin participeren voor 75%; vier Noord-Nederlandse aannemers tekenen voor 25 %; op eigen houtje hadden ze het project nooit aangekund. Een alliantie zoeken met een krachtige buitenlandse partij is dus ook een manier voor bouwbedrijven om opdrachten in de wacht te slepen.

Benno Boeters, redacteur

  • Email: bennoboeters@tw.nl
  • Twitter: @TWdigitaal
Deel deze pagina
Abonnement

Wilt u lid worden, een los nummer aanvragen of een adreswijziging doorgeven? Neem dan contact op met MijnTijdschrift (088-2266622). 

Of bekijk ons aanbod van abonnementen.

Ontvang de nieuwsbrief

Meld je nu aan!

Naar boven