Opinie&Analyse

OESO benoemt dilemma's rond biomassa

De een zijn dood is de ander zijn brood. Dat is de essentie van de circulaire economie, alleen omkleden analisten die dood dan met termen als 'toegevoegde waarde'. De vlieger gaat echter niet meer op als we na de dood overgaan tot crematie. Dan gaat de toegevoegde waarde in rook op. Daar is geen kringetje meer van te maken. Deze mogelijke tegenstrijdigheid tussen twee beleidsdoelen die beide op zich nastrevenswaardig zijn – de bio-economie en de circulaire economie – schetst de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in een nieuw rapport: Realising the circular bioeconomy.

De bio-economie is niet nieuw. Tot de industriële revolutie functioneerde de mensheid zonder gebruik te maken van fossiele brandstoffen, al waren er toen tien keer minder mensen dan nu. Stoppen met fossiele brandstoffen is echter moeilijker dan het was om ermee te beginnen. Als het vervangen van fossiele brandstoffen door biomassa bovendien een doel op zich wordt, dreigt die biomassa niet op de slimste manier gebruikt te worden.

Dat gebeurt bijvoorbeeld in Nederland door de bijstook van biomassa in kolencentrales te subsidiëren. Kan je niks beters met die houtpellets? De OESO denkt van wel.

Idealiter wordt biomassa, ook cellulose, in bioraffinaderijen omgezet in grondstoffen voor de industrie, om alleen na een langdurige 'cascadering', waarbij aan het einde van de levensfase steeds de meest hoogwaardige resterende toepassing wordt gekozen, tot er uiteindelijk niets beters mee aan te vangen is dan verbranding. Nu wordt bijvoorbeeld jaarlijks nog 600 megaton rijststro direct na de oogst verbrand in Azië. Dat is zonde. De OESO is niet per definitie tegen de inzet van voedingsgewassen voor de productie van bio-energie: vooral bij hoogproductieve gewassen als suikerbieten kan dit klimaattechnisch erg interessant zijn. Tegelijk zal de productie van biomassa beperkt worden door bodemdegradatie. Zo waarschuwde de Britse milieuminister Michael Gove vorig jaar apocalyptisch dat zijn land dertig tot veertig jaar verwijderd is van de 'fundamentele uitroeiing van bodemvruchtbaarheid'.

Om biomassa als grondstof in te zetten in plaats van als brandstof, zijn procesinnovaties nodig. Dat roept om R&D. Zo is enzym-intensieve 'consolidated bioprocessing' (CBP) de heilige graal voor cellulosehydrolyse en fermentatie, maar nu nog te duur. Gemeentelijke afvalwaterreiniging is goed voor 3 % van het wereldwijde elektriciteitsgebruik. Daar kan biotechnologie uitkomst bieden.

Jammer genoeg spaart de OESO uiteindelijk de kool en de geit. Aan het advies om per geval te beoordelen of energietoepassingen het verstandigst zijn heeft niemand iets. De constatering dat 'life cycle analyses' (LCA) sterk in uitkomst verschillen, afhankelijk van hun aannames, zou niet moeten leiden tot een verlangen naar andere instrumenten (welke dan blijft ook hier in het midden), maar tot suggesties voor methodologische verbeteringen. Een beoordeling van alles milieuaspecten over de hele levenscyclus van een product blijft de enige zinvolle benadering.

De OESO heeft een interessant thema bij de horens gevat, maar had wel een stoutmoediger advies mogen opstellen. Dat is een gemiste kans aangezien volgens prognoses al in 2020 maar liefst 10 % van het primaire energieverbruik in de EU uit biomassa zal komen.

Deel deze pagina
Abonnement

Bestel nu GRATIS 2 proefnummers TW


Wilt u lid worden, een los nummer aanvragen of een adreswijziging doorgeven? Neem dan contact op met MijnTijdschrift (088-2266622). 

Of bekijk ons aanbod van abonnementen.

Ontvang de nieuwsbrief, binnenkort 2 keer per week!

Meld je nu aan!

Naar boven